Geen schaamte, wel onbehagen

‘Het Nederlandse volk weer aan de macht!’ twitterde Geert Wilders op de dag dat Donald Trump werd geïnaugureerd als president van de Verenigde Staten. ‘Wat wil het volk? Niet veel goeds, dat is zeker’ dichtte Gerard Reve dertig jaar eerder. Ik moest aan beide uitspraken denken toen de Observant mij vroeg of ik mij schaam om deel uit te maken van de elite. Door een schromelijk gebrek aan zelfreflectie had ik mij zelf nooit als deel van welke elite dan ook beschouwd, maar de Observant heeft natuurlijk gelijk. In de visie van populistische politici behoor ik, net als de meeste lezers van deze column, tot de maatschappelijke groep die het land moet teruggeven aan zijn rechtmatige eigenaar. Het is de groep van de mondige, hoogopgeleide, multiculturele, stedelijke, werkende en goddeloze kosmopolieten. Dat ik wel eens luister naar Dries Roelvink (‘Oehhh!!! roept heel Oranje’) en Hank Williams Jr. (‘Country Boys Can Survive’) doet daar vast weinig aan af.

Dus schaam ik mij de ogen uit het hoofd? Enerzijds niet. Ik geloof – hoe ouderwets – in het meritocratische idee dat wie woekert met zijn talenten zich daar niet voor hoeft te schamen. Daarbij mag het uiteraard niets uit maken op welk terrein die talenten liggen: de putjesschepper en de hoogleraar verdienen evenveel respect zo lang ze maar hun uiterste best doen om er wat van te maken.

Anderzijds heb ik gemakkelijk praten en zijn het juist marktwerking en meritocratie die hebben bijgedragen aan een maatschappij van winnaars en verliezers. Velen hebben het vertrouwen in de gevestigde orde (en hun politici) dan ook verloren. Mijn reactie daarop is niet dezelfde als van Wim Kok, die na de grote verkiezingsoverwinning van Pim Fortuyn in 2002 de onverdraagbaar arrogante uitspraak deed dat de kiezer de weg kwijt was. Kan de kiezer de weg ooit kwijt zijn? Zijn de Britse bevolking en de Amerikaanse kiezer de weg kwijt? Die benadering lijkt onder de ‘elite’ helaas nog steeds opgeld te doen. Misschien heeft ook onze universiteit lang te veel alleen de loftrompet gestoken over Europeanisering en globalisering en zich te weinig rekenschap gegeven van de daaraan verbonden nadelige effecten. Wat mij betreft: geen college over de WTO zonder aandacht voor Naomi Klein, geen onderwijsgroep over Europese integratie zonder aandacht voor wie daar niet van profiteert. Wat resteert is geen gevoel van schaamte, wel van onbehagen

Gepubliceerd in: Observant 24 (9 maart 2017), p. 10

Een absurde claim: ouders Tristan van der Vlis zijn niet aansprakelijk

 

Deze week werd bekend dat een groep slachtoffers van de schietpartij in winkelcentrum Ridderhof in Alphen aan den Rijn schadevergoeding vordert van de ouders van dader Tristan van der Vlis. Van der Vlis schoot in 2011 in dat winkelcentrum zes mensen dood. De ouders zijn niet de eersten die door de slachtoffers en nabestaanden voor de civiele rechter worden gedaagd. Eerder werden de staat en de politie tevergeefs aansprakelijk gesteld voor de schade veroorzaakt door het ten onrechte verlenen van een wapenvergunning aan Van der Vlis.

De claim tegen de ouders werd in de pers breed uitgemeten. Zelfs het NOS Journaal besteedde er aandacht aan. Misschien ligt hier de gedachte aan ten grondslag dat als een advocaat zijn medewerking verleent aan het instellen van een vordering als deze, die wel enige kans van slagen moet hebben. Niets is minder waar. Ik mag hopen dat de advocaat in deze zaak zijn cliënten heeft verteld dat deze vordering naar Nederlands recht volstrekt kansloos is. Kennelijk is de claim gebaseerd op het feit dat de moeder van de 24-jarige Van der Vlis niet ingreep hoewel ze vermoedde dat Tristan depressief was en zich er over verbaasde dat hij een wapenvergunning kreeg. Dit is evenwel evident onvoldoende om de ouders onrechtmatig handelen aan te wrijven. Naar Nederlands recht bestaat een uitgebreid stelsel van regels over de aansprakelijkheid van ouders voor hun minderjarige kinderen, maar zodra het kind meerderjarig is, is het nog slechts aansprakelijk voor zijn eigen gedrag.

Nu is niet uit te sluiten dat in extreme gevallen de ouders inderdaad aansprakelijk zijn voor het gedrag van een meerderjarig kind, maar dan niet omdat ze ouders zijn maar simpelweg omdat ze, net als ieder ander in die situatie, een zorgplicht schonden jegens de slachtoffers. Dan moet wel aan hele strikte eisen zijn voldaan; bij mijn weten heeft een Nederlandse rechter dit nimmer aangenomen. In de VS is in zeer uitzonderlijke gevallen een ouder al wel aansprakelijk gehouden voor crimineel gedrag van een kind. Nodig is dan dat de ouders weten of moesten weten dat hun kind grote psychische problemen had en daarmee een risico vormde voor anderen, dat het kind bij de ouders inwoonde en dat de ouders handelden alsof zij hun kind onder controle wilden houden (en zich aldus naar de buitenwereld afficheerden als verantwoordelijk voor het gedrag van het kind).

Hoe extreem de feiten dan moeten liggen bewijst de zaak Silberstein v Cordie. Het ging hier om een 27-jarige schizofrene man die nog bij zijn ouders woonde en door hen werd verzorgd alsof hij nog minderjarig was. De ouders wisten dat hun zoon leed aan waanbeelden en hallucineerde over de duivel. De ouders hadden hun zoon daarop enkele maanden doen opnemen in een psychiatrische inrichting. Nadat hij weer thuis was, zagen de ouders dat hij was gestopt met het innemen van zijn medicijnen. Toch besloten zij om een reisje te maken, hun zoon alleen thuis te laten en het in huis aanwezige pistool niet op te bergen. Vervolgens doodde de dader een vriend van hem die hij, zoals zijn ouders wisten, al meerdere malen had bedreigd. In dit extreme geval achtte de rechter in Minnesota de ouders civielrechtelijk aansprakelijk.

Aan geen van de – ook naar Nederlands recht aanvaardbare – eisen voor aansprakelijkheid zoals ontwikkeld door de Amerikaanse rechter is in de zaak van Van der Vlis voldaan. Van der Vlis woonde zelfstandig, van grote psychische problemen was de ouders niet gebleken en evenmin trachtten zij om het gedrag van hun kind te controleren. De rechter kan korte metten maken met deze absurde claim.

 

Verschenen in: Law Blogs Maastricht 21 februari 2017

Linkse wetenschap?

 

Hoe divers is de Nederlandse wetenschap? Volgens een meerderheid in de Tweede Kamer misschien niet zo heel divers. Vorige week nam de Kamer een motie aan die de regering oproept om na te gaan of de staf van Nederlandse universiteiten niet te homogeen is samengesteld. Het gaat dit keer niet om het relatief lage aantal vrouwelijke hoogleraren, maar om de politieke overtuiging van docenten en onderzoekers. De motie is ingegeven door de vrees dat wetenschappers te links zijn en dat dit in de weg staat aan een ‘diversiteit van perspectieven’ en aan ruimte voor ‘het vrije woord.’

Op het eerste gezicht is dit een verrassende oproep. Geen zinnig mens zal beweren dat een ‘liberale’ wetenschap leidt tot andere resultaten dan een ‘groene’, ‘christelijke’ of ‘sociaaldemocratische’ wetenschap. Er is alleen goed en slecht onderzoek. In een hoofdredactioneel commentaar had de NRC dan ook weinig goeds over voor de motie en repte van het ondergraven van de neutraliteit van de wetenschap. Als die niet waardenvrij is, kloppen de – inmiddels wereldberoemde – alternatieve feiten aan de deur. De vraag is of dit een verstandige reactie is. Natuurlijk is onderzoek naar de latrelaties van de zuidelijke rotspinguïn onafhankelijk van de politieke oriëntatie van de onderzoeker, maar heel veel aan de universiteit beoefende disciplines gaan niet alleen over feiten. Zij handelen ook over wat gewenst is of over wat werkt. In onder meer de economie, rechtswetenschap, sociale psychologie en gezondheidswetenschappen kunnen gemaakte keuzes (voor zowel thema als uitkomst) wel degelijk beïnvloed worden door politieke voorkeuren – die de goede onderzoeker uiteraard ook inzichtelijk maakt. Wetenschap gaat wel degelijk over waarden. En daar zijn we zeker gebaat bij een grote diversiteit aan perspectieven. Met partijpolitiek heeft dat niet per se iets te maken, maar moeilijk valt te ontkennen dat sommige onderzoeksthema’s ‘rechtser’ zijn dan andere.

Resteert de vraag of de universiteit inderdaad overwegend ‘linkse’ thema’s onderzoekt en onvoldoende aan zelfcensuur doet. Wordt de onderzoeker die de negatieve aspecten van immigratie of de positieve aspecten van een Nexit onderzoekt door collega’s met de nek aangekeken? Ik geloof er niets van. Dit was ooit anders: Buikhuisen kan er over meepraten. En wie het mooie jubileumboek ter gelegenheid van 40 jaar UM leest kan zich niet aan de indruk onttrekken dat wie in de beginjaren van onze universiteit geen PvdA stemde, het lastig had. Die tijd is gelukkig voorbij. De regering kan zich wijden aan belangrijker zaken.

Verschenen in: Observant 22 (16 februari 2017), p. 3

 

Naar een universitaire canon

Kent u Van Halen? Dit was de vraag die ik deze week aan onze eerstejaarsstudenten stelde. Van de 400 bij het college Contractenrecht aanwezigen bleek een grote meerderheid onbekend met deze Amerikaanse hardrockband. Het ten gehore brengen van een fragment uit Jump bood geen soelaas. Nu geef ik onmiddellijk toe dat Van Halen zijn grootste successen vierde toen onze studenten nog geboren moesten worden. Toch dacht ik dat zij hier een gemeenschappelijk referentiekader hadden met veertigers zoals ik. Dat was mooi geweest omdat aan de hand van de contracten die Van Halen placht af te sluiten met concertorganisatoren – die steevast de clausule ‘There will be no brown M&M’s in the backstage area’ bevatten – zo mooi kan worden uitgelegd wat contractvrijheid inhoudt.

Ik ben de laatste die zal beweren dat studenten steeds minder weten. Augustinus verkondigde dat al in de vierde eeuw en Karel van het Reve zei daar terecht over dat als dit juist zou zijn, het inmiddels niet langer mogelijk is om studenten zelfs maar de meest elementaire grondbegrippen van welke discipline dan ook bij te brengen. Bovendien kan het verwijt net zo zeer in omgekeerde richting worden gemaakt: in de afgelopen jaren trof ik diverse collega’s die nog nooit hadden gehoord van Kings of Leon of Stephenie Meyer. Dat gebrek aan een gemeenschappelijk referentiekader is lastig, uiteraard niet alleen waar het gaat om popcultuur, maar ook wat betreft de befaamde hoogcultuur in de vorm van kunst, wetenschap en filosofie. Dat wordt nog versterkt door het feit dat onze rechtenstudenten afkomstig zijn uit een veelheid aan landen met soms sterk uiteenlopende vooropleidingen: de international classroom – waar ik overigens een groot fan van ben – kent ook zijn beperkingen.

Is er een remedie? Wie hoog opgeeft van interdisciplinariteit – en welke universiteit doet dat tegenwoordig niet? – zou onze eerstejaars kennis moeten laten maken met de belangrijkste verworvenheden van cultuur en wetenschap. Zou het geen mooi project zijn als studenten en staf samen een canon maken van wat we aan de universiteit als algemeen gedeelde kennis beschouwen? Wat vinden onze studenten dat de staf absoluut moet weten en andersom? Ik zou zelf nog een stap verder gaan: maak een gemeenschappelijk eerste blok voor al onze studenten. Elk van onze zes faculteiten neemt een week voor haar rekening. Dat brengt de economen, juristen, psychologen, medici, geestes- en sociale wetenschappers samen in een niet eerder vertoond experiment. Zo komt dat gedeeld referentiekader er toch.

Verschenen in: Observant 10 (10 november 2016). p. 3

‘Tot de dood ons scheidt’? Een pleidooi voor een tijdelijk huwelijk

 

Bijna vijftig procent van alle huwelijken in de Westerse wereld eindigt in een echtscheiding. Dit is de belangrijkste reden waarom in een recent boek (‘The New “I Do”’) psycholoog en relatietherapeut Susan Pease Gadoua en journalist Vicki Larson stellen dat een huwelijk voor het leven een ouderwets en onrealistisch ideaal is. Indien de echtgenoten niet hun hele leven bij elkaar blijven leidt dat traditionele huwelijk enkel tot wederzijdse verwijten en een gevoel van falen. Gadoua en Larson bepleiten daarom dat de wetgever een ‘starthuwelijk’ introduceert. Dit is een huwelijk dat automatisch afloopt na een door de echtgenoten overeengekomen termijn van bijvoorbeeld twee of vijf jaar. Na die termijn kan een gelukkig koppel het huwelijk uiteraard verlengen, maar die beslissing moet wel expliciet worden genomen. Zowel ten tijde van het starthuwelijk als bij de verlenging kunnen de partners afspraken maken over financiën en verdeling van eigendom, maar bijvoorbeeld ook over vakanties of het uitlaten van de hond. Dit idee past bij een initiatiefwetsvoorstel dat de grootste partij in het parlement van Mexico-Stad (dat zelf de bevoegdheid heeft om het familierecht te regelen) in 2011 indiende. Het voorstel hield in om een tijdelijk huwelijk van twee jaar in te voeren met als belangrijkste motief dat de partners dan niet door een pijnlijke en soms kostbare scheiding heen moeten om hun ongelukkige huwelijk te beëindigen.

De regel dat een huwelijk wordt gesloten voor onbepaalde tijd is zo vanzelfsprekend dat deze niet eens expliciet in wetgeving is neergelegd. Ook krijgt de regel vrijwel geen aandacht in de rechtsgeleerde literatuur. Bij het kerkelijk huwelijk spreken echtgenoten wel formuleringen uit als dat zij elkaar trouw blijven ‘tot de dood ons scheidt’ of de ander zullen ‘liefhebben en waarderen al de dagen van ons leven.’ De voorstellen van Gadoua en Larson en van de plaatselijke wetgever in Mexico-Stad zijn een goede aanleiding om de regel opnieuw te doordenken. Nu het familierecht in toenemende mate ruim baan geeft aan contractuele afspraken, is de tijd wellicht ook rijp voor het invoeren van een tijdelijk huwelijk. Net zoals het geval is bij elke andere verhouding die wordt beëindigd, is dan wel nodig dat eventuele kinderen en de behoeftige ex-huwelijkspartner worden beschermd tegen de financiële en andere gevolgen van het verlopen van de afgesproken termijn, maar dit staat niet in de weg aan het als zodanig aanvaarden van een tijdelijk huwelijk. Dat heeft niet alleen als voordeel dat de hoge financiële en emotionele lasten van een echtscheiding worden voorkomen, maar ook dat (toekomstige) echtgenoten de consequenties van hun huwelijk beter doordenken en vrij zijn om hun wederzijdse commitment op gezette tijden opnieuw te evalueren.

In een artikel dat binnenkort in WPNR verschijnt bepleit ik dan ook dat het invoeren van een tijdelijk huwelijk een zinvol experiment is. In het artikel wordt gezocht naar de oorsprong van het levenslange huwelijk en vervolgens beargumenteerd waarom de motieven die ooit bestonden voor een dergelijk huwelijk niet langer overtuigend zijn.

Waarheen, waarvoor? Naar een écht strategisch programma voor de universiteit

 

Het is weer zo ver: de Universiteit Maastricht buigt zich over een nieuw strategisch programma. Net als aan alle andere Nederlandse universiteiten wordt eens in de vijf jaar veel tijd en energie gestoken in het formuleren van een nieuwe missie en doelstellingen. Het gaat hier om de vraag waartoe de Universiteit Maastricht op aarde is, een levensvraag van dezelfde orde als die mij bij een sollicitatie ooit werd gesteld: ‘Meneer Smits, wie is u?’ Nu weet ik niet of u de strategische plannen van de Nederlandse universiteiten wel eens naast elkaar heeft gelegd, maar wie dat doet vindt daarin wel heel veel van hetzelfde. En men slaat niet onmiddellijk steil achterover van de gemaakte keuzes. Volgens het plan 2012-2016 van onze eigen UM zijn wij niet alleen een aantrekkelijke werkgever, maar ook geïnspireerd door kwaliteit, student-gericht, internationaal én verankerd in de regio, innovatief, academisch excellent en maatschappelijk relevant. Naar verluidt gaan we in het nieuwe programma 2016-2020 aan ‘community building’ en ‘employability’ doen, waarbij de universiteit ‘leef- en werkbaar’ blijft. Noem mij een universiteit die zich hier niet in kan vinden.

Voor mij bestaat een strategie niet uit gemeenplaatsen, maar uit het maken van keuzes voor een langere termijn dan vijf jaar gebaseerd op een heldere toekomstvisie. Om dat geen rituele dans te laten zijn is verbeeldingskracht nodig. Zo publiceerde de Times Higher Education afgelopen december inspirerende bijdragen over de vraag hoe het hoger onderwijs er in 2030 uit ziet. Een bonte verzameling opvattingen passeerde de revue. Zo meent de een dat tegen die tijd zo veel werk (inclusief onderwijs) door robots en devices zal worden verricht dat aan universiteiten geen behoefte meer bestaat. De ander voorspelt eerherstel voor het hoorcollege om de aandachtspanne van onze bloggende, twitterende en whatsappende studenten te verlengen. De volgende meent dat de traditionele scheiding tussen vakgebieden geheel verdwenen zal zijn, terwijl de vierde uitlegt dat nieuwe technologie niet alleen zal leiden tot universiteiten die op grote schaal over de landsgrenzen samenwerken, maar ook tot een internationale ranking van studenten. Die ongekende transparantie zal de arbeidsmarkt ingrijpend veranderen. Mijn punt is niet dat ons eigen strategisch programma moet speculeren over de toekomst, maar deze ontwikkelingen zelf kan sturen. Kunnen we afspreken dat het nieuwe programma van de UM échte strategische keuzes maakt, voor minstens de komende vijftien jaar geldt en clichés weet te vermijden?

(eerder verschenen in Observant 25 (10 maart 2016), p. 3)

Ken uw naaste

Kent u Saúl Luciano Lliyua? Saúl is een Peruaanse boer. Hij woont in de Andes in de buurt van een gletsjer die de afgelopen tien jaar in snel tempo is gesmolten. Het daardoor ontstane meer vormt een grote bedreiging voor Saúl: als de gletsjer onder invloed van de opwarming van de aarde nog verder smelt, is de kans groot dat een vloedgolf hem en zijn dorpsgenoten zal wegvagen. Saúl kan twee dingen doen. In de eerste plaats kan hij wachten tot alle 195 VN-lidstaten thans aanwezig op de klimaattop in Parijs een verdrag hebben gesloten dat de opwarming van de aarde (volgens Saúl de oorzaak van het smelten van de gletsjer) tot staan brengt. De kans dat zo een vergaand verdrag er komt is nihil. In de tweede plaats kan hij trachten om individuele uitstoters van CO2 aansprakelijk te stellen. Dat laatste is precies wat Saúl heeft gedaan. Hij daagde de Duitse energiereus RWE voor de rechtbank in Essen en vordert dat RWE een bedrag van € 20.000 zal bijdragen aan de beveiliging van het meer, een bedrag dat is gebaseerd op de 0,47% van de totale CO2-uitstoot waar RWE volgens Saúl verantwoordelijk voor is.

Voor de leek lijkt dit misschien een voor de hand liggende vordering, maar juristen hebben er om verschillende redenen grote moeite mee. Had RWE echt anders moeten handelen jegens Saúl? Is het klimaat wel een rechtens beschermd belang? Wordt de schade van Saúl wel veroorzaakt door de uitstoot van RWE? En is het echt aan de rechter om hier een oordeel over te geven? In dit soort zaken moet de rechter op zoek naar de grenzen van het aansprakelijkheidsrecht en van zijn eigen rol in de rechtsstaat. Dat kan zo maar leiden tot een veel effectiever tegengaan van klimaatverandering dan een slap internationaal verdrag ooit zou kunnen. De grootste horde die moet worden genomen is dat Saúl wordt aangemerkt als iemand met wie RWE rekening heeft te houden of, zoals het Engelse recht dat op bijbelse wijze verwoordt, voor het recht als diens naaste (neighbour) geldt. Er valt veel voor te zeggen dat die naaste in een globaliserende samenleving een andere is dan honderd jaar geleden. Filosoof Peter Singer sprak van de zich uitbreidende morele cirkel: van gezin, klasse en natie tot de hele mensheid. Het is niet raar als dat ook tot uitdrukking komt in het recht. Misschien is dat meer bepalend voor de toekomst van de planeet dan de onderhandelingen in Parijs.

(eerder verschenen in Observant 14 (3 december 2015), p. 3

De teek en het recht

Bent u ook zo bang voor teken? Bij ons thuis vindt een boswandeling alleen plaats na overvloedig besprenkelen met deet en het bedekken van liefst zoveel mogelijk lichaamsdelen. Dat dit soort voorzorgsmaatregelen niet geheel overbodig zijn realiseerde ik mij toen ik recent een uitspraak las van een rechter in Connecticut. De 15-jarige Cara Munn, leerlinge van eliteschool Hotchkiss, werd tijdens een schoolreisje naar China (waarom ook niet?) gebeten door een teek. Zij en twee van haar klasgenoten hadden na de beklimming van een berg besloten om niet, zoals de anderen, met de kabelbaan naar beneden te gaan, maar langs een pad door het bos af te dalen. Door de beet loopt Cara een hersenontsteking op die haar berooft van haar spraakvermogen. Zo kan een onschuldige wandeling dramatische gevolgen hebben.

Nu las ik deze uitspraak niet in de hoedanigheid van wandelaar maar in die van jurist. In de procedure die volgde veroordeelde een jury de school tot betaling van $ 41 miljoen aan Cara, waarvan $ 31 miljoen aan smartengeld. Dat zijn forse bedragen, maar in de VS niet ongebruikelijk zodra er een jury aan te pas komt. De belangrijke vraag – binnenkort te beantwoorden door het hooggerechtshof van Connecticut – is of de school hier terecht aansprakelijk werd gehouden voor iets wat ook kan worden beschouwd als een ongelukkig toeval. Voor zowel de Amerikaanse als de Nederlandse jurist is dat vragen naar welke zorgvuldigheid van de school mag worden verwacht. Had de school Cara en haar ouders moeten waarschuwen dat zij tijdens de reis in contact kon komen met ongedierte en voorzorgsmaatregelen moeten nemen om besmetting te voorkomen? Moeilijk was dat niet: de leerlingen vragen om tijdens de wandeling de huid te beschermen en om zichzelf na de excursie te controleren op teken is voldoende. Misschien dat het toekennen van een hoge schadevergoeding scholen ook stimuleert om voortaan voorzichtiger te zijn. Maar wie aansprakelijkheid wenselijk vindt om leerlingen zoals Cara te beschermen, kan daar beter nog eens goed over nadenken. Het maakt het organiseren van een schoolreisje potentieel zeer kostbaar met als waarschijnlijk gevolg dat scholen dit soort reizen niet meer durven te organiseren. Dat is precies de reden waarom de wetgever in Californië heeft bepaald dat scholen niet aansprakelijk kunnen zijn voor letsel ontstaan tijdens buitenschoolse activiteiten. Aan argumenten vóór en tegen aansprakelijkheid geen gebrek: misschien kunt u ze eens wegen bij uw volgende bezoek aan het bos.

(eerder verschenen in Observant 10 september 2015)

Urgenda en rechterlijk activisme: hoger beroep is een goede zaak

Vandaag maakte Staatssecretaris Mansveld bekend dat de Staat voornemens is om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag in de veel besproken Urgenda-zaak. Zoals bekend oordeelde de rechtbank in die zaak dat Nederland de CO2-uitstoot in 2020 met minimaal een kwart moet hebben verminderd ten opzichte van het peiljaar 1990. Opvallend genoeg ging het de afgelopen maanden niet zozeer over de inhoudelijke juistheid van die beslissing – er lijkt, behoudens een enkel dissident geluid, brede overeenstemming te zijn dat Nederland inderdaad méér moet doen om klimaatverandering tegen te gaan – maar vooral over de vraag of het wel aan de rechter is om leiding te geven aan de strijd tegen CO2-uitstoot. Zo zei Kamerlid Dijkstra: ‘als de rechter op de stoel van politici gaat zitten, kunnen we de Tweede Kamer net zo goed opdoeken en voortaan alles aan de rechter vragen.’ Lucas Bergkamp sprak van een ‘gevaar voor de rechtsstaat.’

Naar mijn smaak getuigen deze reacties van een veel te ouderwetse opvatting over de taken van wetgever en rechter. Soms lijkt het, met een beroep op een verkeerd begrepen trias politica, alsof we terug zijn in de negentiende eeuw waarin de rechter enkel werd geacht om ‘de wet’ toe te passen. Zo is het echter al lang niet meer. In de afgelopen decennia is de Hoge Raad diverse malen uiterst actief geweest in het stellen van – soms zeer gedetailleerde – regels. De bescherming van de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer is daarvan een goed voorbeeld. Het komt dan ook steeds minder voor dat de rechter oordeelt dat een bepaalde, gewenste, manier van beslissen de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Er lijkt zelfs in toenemende mate sprake te zijn van irritatie bij de hoogste rechter over de laksheid van de wetgever die steeds vaker zegt de ontwikkelingen ‘aan de praktijk’ te willen overlaten. Dat gebeurde recent onder meer bij principiële vragen over bewijsbeslag en aansprakelijkheid van de Staat bij overschrijding van de redelijke termijn in een civiele procedure. De Hoge Raad is dan bereid om toch tot het stellen van regels over te gaan, hetgeen de rechter noopt tot een beleidsmatige beslissing die in het verleden door de wetgever werd genomen.

Nu zal ik niet zeggen dat dit onproblematisch is. De heersende opvatting is nog altijd dat wanneer de rechter privaatrechtelijke normen toepast – en dat deed hij in de Urgenda-zaak – daarmee geen publieke doelen of verdelende rechtvaardigheid mogen worden nagestreefd. De rechter mag een evident onrechtvaardige situatie corrigeren, maar geen welomlijnd publiek beleid ontwikkelen. Toch is de vraag of de uitspraak van de Haagse rechter niet past in de ontwikkeling dat de rechter, die vaak als eerste geroepen wordt om te oordelen over prangende vragen, moet goedmaken waartoe de wetgever niet langer bereid is of in staat lijkt, namelijk het verschaffen van een opvatting over wat juridisch behoort is in een globaliserende en technologisch steeds geavanceerder wordende maatschappij. Dat zou passen bij pleidooien als dat van Spier om een privaatrecht ‘voor de lange termijn’ te ontwikkelen dat kan bijdragen aan de strijd tegen onder meer klimaatverandering, maatschappelijk onverantwoord ondernemen en de bescherming van toekomstige generaties in het algemeen.

In dit licht beschouwd neemt de Nederlandse Staat de juiste beslissing door in beroep te gaan. De uiteindelijke beslissing van de Hoge Raad zal meer duidelijkheid verschaffen over de grenzen van rechterlijk activisme. Of de uitspraak wezenlijk anders zal luiden dan die van de rechtbank Den Haag is evenwel volstrekt niet zeker.

 

Kosten politie-inzet betaald voetbal terecht opnieuw op de agenda

 

Het kan niemand zijn ontgaan: met de opening van het nieuwe voetbalseizoen roeren ook de zogenaamde ‘supporters’ zich weer. Zo protesteerde de harde kern van enkele clubs afgelopen weekend tegen de politieacties voor een nieuwe cao onder het motto ‘Wij geen wedstrijd, hun geen staking.’ Dat is uiteraard de omgekeerde wereld. Wat was immers ook al weer de reden waarom de politie tijdens voetbalwedstrijden in groten getale aanwezig moet zijn? Indien voetbalfans zich gedragen kan de wedstrijd ook doorgaan zonder politie. Toch zijn er vanuit juridisch oogpunt twee positieve zaken te melden.

In de eerste plaats is gebleken dat ook zonder politie-inzet een aantal wedstrijden kon doorgaan, waaronder de risicowedstrijd AZ-Ajax. De clubs verdubbelden de inzet van eigen stewards en controleerden de eigen fans extra streng. Dat is een geslaagd experiment in zelfregulering: door de juiste incentive (zich goed gedragen) op de juiste plek (bij de clubs en de supporters) neer te leggen, kon een gewenst resultaat (de wedstrijd ging door) worden bereikt. Dat is een veelbelovende stap op weg naar volledige zelfregulering in de eredivisie. Certificering en licentiëring door de KNVB kunnen daarbij een grote rol spelen.

In de tweede plaats is positief dat de vraag naar de kosten van politie-inzet terug op de agenda staat. Vorige week liet de politievakbond ACP weten de politie-inzet bij voetbal zat te zijn. Die inzet kost thans rond de 300.000 manuren per jaar. In 2012 uitte de Minister van Veiligheid en Justitie dan ook het voornemen om de kosten van politie-inzet buiten het stadion door te berekenen aan de clubs, een voorstel dat – na zware kritiek van onder meer de KNVB – even snel weer werd ingetrokken met het argument dat buiten de stadions de overheid primair verantwoordelijk is voor openbare orde en veiligheid. Dat laatste is ongetwijfeld waar, maar dat verhindert op zichzelf niet dat kosten worden doorberekend. Een maatschappelijk belangrijke discussie als deze verdient betere argumenten. De vraag is daarbij niet of de voetbalclub in kwestie of de KNVB een verwijt kan worden gemaakt van het gedrag van relsupporters, maar wie de kosten heeft te dragen: de maatschappij als geheel of alleen diegenen die direct profiteren van de gevaarzettende activiteit (of die deze veroorzaken). Het wekt dan ook geen verbazing dat in de ons omringende landen de politie geregeld de kosten voor politie-inzet, óók buiten het stadion, doorberekent. Zo zond de politie van Bremen eerder dit jaar een rekening van € 425.000 aan de Duitse voetbalbond voor politie-inzet tijdens de wedstrijd Werder Bremen-Hamburger SV (1-0). Betaald is die rekening nog niet. In Engeland bestaat sinds 2011 zelfs een uitgebreide overheidscirculaire waarin wordt aangegeven welke politiekosten precies kunnen worden gevorderd. De Engelse rechter is daarbij overigens van oordeel dat het alleen mag gaan om kosten voor politie-inzet binnen het stadion en op terreinen die bezit zijn van de club of gecontroleerd worden door de club. Dat is interessant omdat ook in Nederland de politie nog geregeld optreedt op bijvoorbeeld het voorplein van het stadion. De kosten daarvan kunnen mijns inziens ook naar huidig Nederlands recht door de politie van de club worden gevorderd.