Rechtstoerisme: een kunstmatig eiland op zee?

Eén van mijn grote interesses betreft het zogenaamde rechtstoerisme. Dit betekent dat burgers of bedrijven hun ‘eigen’ recht (dat van het land van hun woonplaats of nationaliteit) inruilen voor een ander rechtsstelsel. Op nogal wat terreinen (zoals contractenrecht en ondernemingsrecht) is dat al lange tijd mogelijk, maar het fenomeen dringt ook langzaam door op andere terreinen, waaronder het familierecht.  Een variant hierop is het plan dat onlangs werd gelanceerd door het Amerikaanse Seasteading Institute. Dit instituut, opgericht door Patri Friedman (kleinzoon van econoom Milton Friedman en zelf ook een origineel denker) en gefinancierd door dot-com-miljonair Peter Thiel stelt zich ten doel om een kunstmatig eiland op zee te creëren voor ondernemende individuen die hun eigen land willen verlaten. Op die plek buiten de territoriale wateren zouden zij een eigen gemeenschap moeten maken waarin kan worden geëxperimenteerd met nieuwe vormen van juridische en sociale organisatie. Enkele citaten uit de interviews die Friedman gaf aan The Economist en de Financial Times: ‘If you are unhappy with your government, then you should be free to use another one – or, better still, start one yourself.’ En: ‘Think about all the hot air and argumentation about a whole host of different political issues – freedom vs. security, absolute wealth vs. inequality, strong family vs. tolerance, open vs. closed borders, whatever the topic du jour is. Instead of deciding them through rhetoric, or voting on a few representatives to decide them for tens or hundreds of millions of people at once, imagine if we could try them each on a small scale and see what happens.’ Dit initiatief kreeg al heel wat aandacht, ook omdat Friedman fondsen wist te verwerven om het idee uit te proberen en een stad op zee buiten de 200 mijl-zone voor de kust van Californië op te zetten.

Ik vind dit om twee redenen een fascinerend initiatief. In de eerste plaats levert het een prachtig gedachte-experiment op. Elk jaar betreedt een nieuwe generatie rechtenstudenten de universiteit en de idee dat burgers in staat zijn om hun eigen rechtsstelsel te creëren is een prachtige manier om te reflecteren op de inhoud en de doelen van het recht. In de tweede plaats is het en extreem geval van rechtstoerisme en van de mogelijkheid om het eigen rechtssysteem achter zich te laten. We zijn er zo aan gewend dat we zijn gebonden aan het recht dat de overheid ons oplegt dat een keuze ons eigen rechtssysteem op te geven haast ondenkbaar is. Maar is dit echt zo? Indien iemand zegt dat hij geen gebruik meer wil maken van de publieke voorzieningen, niet langer de behoefte heeft om mee te doen in het publieke leven van zijn land, bereid is om zijn nationaliteit op te geven en naar een kunstmatig eiland te verhuizen om opnieuw te beginnen (eventueel na betaling van een exit taks voor genoten voorzieningen in het verleden), wat is daar dan tegen?

Het door mij voorgestane alternatief is overigens minder revolutionair. Het voornaamste argument voor seasteading is dat het bestaande overheden alerter maakt: zij zullen competitiever moeten werken en een aantrekkelijker pakket van voorzieningen aan hun burgers moeten leveren dan thans het geval is. De vraag is echter of dit niet ook op andere wijze kan worden bereikt. Nu al zijn bedrijven en welgestelde individuen vaak in staat om het recht van hun eigen land in te ruilen voor andere rechtsstelsels (het recht van Delaware voor hun vennootschap, het recht van New York voor hun contracten, het recht van Aruba om belasting te betalen en het recht van Mexico City om te huwen). Dit heeft het grote voordeel dat personen hun woonplaats in aantrekkelijke steden als New York, Berlijn en Luik niet fysiek hoeven in te ruilen voor een plek op de oceaan. De meesten van ons vinden het recht, zo lang het aan bepaalde minimumeisen voldoet, minder belangrijk dan de mogelijkheid om naar het theater te gaan, te reizen en te winkelen. Dat roept wel de vraag op welke mogelijkheden voor rechtstoerisme het huidige recht eigenlijk biedt en in welke mate die moeten worden uitgebreid. Dat is een vraag waarop de rechtswetenschap een antwoord kan geven.

Een ‘justice scorebord’: naar Europese ranking van rechtssystemen

Onlangs heeft Europees Commissaris Viviane Reding het initiatief genomen voor een Europees ‘justice scoreboard.’ Dit scoreboard zal jaarlijks het gehalte aan ‘rule of law’ in de Europese lidstaten moeten gaan meten om zo een beter beeld te krijgen van de ‘strength, efficiency and reliability’ van elke EU-lidstaat. Dit plan is duidelijk ingegeven door zorgen van de Europese Commissie over naleving van een aantal fundamentele beginselen van de rechtsstaat in Hongarije (dat een relatief groot aantal schendingen van Europees recht kent) en Roemenië (waar het Constitutionele Hof onder zware politieke druk staat).

Dit is een goed initiatief. Ranking van jurisdicties kan een zeer efficiënte manier zijn om peer pressure uit te oefenen: landen die laag scoren worden gestimuleerd om het beter te doen in de ranking van het volgende jaar. Het grote probleem is echter om een algemeen aanvaarde manier te vinden om de ranking uit te voeren. Algemeen bekend is dat de rankings door de World Bank en zoals uitgevoerd in het World Justice Project beide heftig zijn bekritiseerd vanuit methodologisch standpunt. Dit kan Europa beter.

Indien de Europese Unie begint met het ranken van rechtssystemen, zou dit niet overigens beperkt moeten zijn tot vragen van rechtsstatelijkheid. Het classificeren van nationale stelsels van burgerlijk recht en strafrecht kan ook een zeer nuttige exercitie zijn. Ik heb nooit goed begrepen waarom de nadruk die de Europese Commissie legt op het voltooien van de Europese gemeenschappelijke markt moet leiden tot zoveel mogelijk uniforme regels in plaats van tot een onderzoek naar welk vertrouwd nationaal rechtssysteem de belangen van de interne markt het beste behartigt. Als dat is vastgesteld bestaat de volgende stap in het toestaan dat partijen zoveel mogelijk voor dat rechtsstelsel kunnen kiezen. Zo is ranking niet alleen een exercitie die vooral nuttig is voor officiële instituties zoals de EU en de lidstaten, maar leidt die ook direct tot nuttige resultaten voor de Europese burger.

Boerkaverbod blijft problematisch deel van nieuw regeerakkoord

Een nog weinig opgemerkte verandering van beleid van het nieuwe kabinet betreft de plannen voor de invoering van het zogenaamde boerkaverbod. Waar de vorige regering nog beoogde om een algeheel verbod op gelaatsbedekkende kleding in de openbare ruimte in te voeren, beoogt het regeerakkoord van oktober 2012 nog slechts een verbod op de boerka (maar evenzeer op de bivakmuts) in het onderwijs, de zorg, het openbaar vervoer en in overheidsgebouwen. Dat is een belangrijke beperking ten opzichte van het oude plan, maar nog altijd niet in overeenstemming met wat het recht ons leert over de wenselijkheid van zo een verbod. Vergelijking met landen waar een boerkaverbod al ingevoerd werd (zoals België en Frankrijk) en kennisname van wat juristen en politieke filosofen er over schreven kan ons leren wat de relevante argumenten zijn en hoe die moeten worden gewaardeerd.

Politieke filosofen zoals de Amerikaanse Martha Nussbaum hebben hier grondig over nagedacht. Nussbaum noemt in haar werk vijf argumenten die kunnen worden aangevoerd vóór een boerkaverbod, zij het dat ze bij nadere beschouwing geen van alle stand houden. Het is nuttig om ook in Nederland van die argumentencatalogus kennis te nemen.

Het eerste mogelijke argument voor een boerkaverbod is de openbare veiligheid: wie op openbare plekken komt, moet herkenbaar zijn. Op zichzelf is dit een valide argument, maar Nussbaum wijst er terecht op dat het dan ook consequent moet worden toegepast: de invallende winter maakt dat velen met muts en sjaal de straat op gaan. Mijn hockeyend nichtje bedekt haar gelaat tijdens een wedstrijd ook en ik zie bij mij in de buurt wel eens vrouwen met een gezichtsmasker op het terras zitten van een naast een schoonheidssalon gelegen café. Een probleem voor de veiligheid zien we daar niet in. Dat maakt een boerkaverbod op grond van dit argument inconsequent: óf het verbod geldt daadwerkelijk voor alle gezichtsbedekkende kleding (hetgeen praktisch onuitvoerbaar is) óf het geldt omdat iemand moslim is (hetgeen zozeer in strijd komt met fundamentele rechten dat niemand het in zijn hoofd haalt dit voor te stellen).

Een tweede argument voor een boerkaverbod wordt ook door het kabinet gebruikt: door het dragen van de boerka wordt deelname aan het maatschappelijk verkeer bemoeilijkt en daarmee de sociale samenhang in Nederland. Hiervoor geldt hetzelfde als zojuist: gesteld dat dit zo is – de zojuist gegeven voorbeelden wijzen in een andere richting – dan moet het toekomstige wetsvoorstel er in elk geval anders uitzien dan het door het vorige kabinet voorgestelde plan. De redenering mag niet zijn dat het gezicht bedekken alleen deelname aan het maatschappelijk verkeer belemmert als het gebeurt in de door het wetsvoorstel aangegeven gevallen (in de praktijk: vooral door moslima’s).

Een derde argument betreft de gelijkwaardigheid van man en vrouw. De gedachte is dat de boerka een product is van onderdrukking van de vrouw. Dat zou best wel eens zo kunnen zijn – hoewel we dat in de eerste plaats moeten vragen aan de draagsters zelf – maar dan valt er nog wel een ander wetsvoorstel in te dienen: het ‘helpen’ van de maximaal 150 boerkadraagsters in Nederland zou dan toch weinig prioriteit moeten hebben als ook kan worden opgetreden tegen pornosites, bepaalde reclame-uitingen en andere vormen van vrouwonvriendelijk gedrag.

Het vierde mogelijke argument uit Nussbaums catalogus luidt dat de vrouw niet gedwongen mag worden tot handelingen die zij niet wil: niemand zou de boerka ‘eigenlijk’ willen dragen. Minister Opstelten liet eerder weten dat de politie het boerkaverbod na invoering daadwerkelijk zal afdwingen. Ook dit is een argument dat inconsequent is: als het het kabinet werkelijk te doen is om bescherming van de vrouw, dan zijn nog wel andere maatregelen denkbaar. Optreden tegen de boerka legt het dan toch echt af tegen bijvoorbeeld aanpakken van huiselijk geweld (dat onder moslims niet hoger is dan onder aanhangers van een andere godsdienst).

Een laatste argument dat soms wordt aangevoerd is dat de boerka oncomfortabel is en gezondheidsproblemen kan veroorzaken. Ook dit valt niet uit te sluiten, maar dan moet alle kleding worden verboden die eventueel de gezondheid kan schaden. Platte schoenen, naaldhakken en corrigerend ondergoed zijn daarvan slechts enkele voorbeelden.

De conclusie luidt dat geen van deze vijf mogelijke argumenten voor een boerkaverbod stand kan houden. Dat maakt dat het aangepaste standpunt van het kabinet nog steeds inconsequent is. Ik ben een voorstander van het uitbannen van religieuze uitingen van ambtenaren tijdens de uitoefening van hun functie, maar de herziene plannen van het kabinet gaan veel verder dan dat. Dat maakt het boerkaverbod in strijd met het beginsel van gelijke behandeling. Een ieder in Nederland heeft immers het recht om te leven in overeenstemming met zijn of haar eigen voorkeuren en het is de taak van de overheid om dat recht te garanderen. Ik mag als privé-persoon andere voorkeuren hebben en besluiten om in het geheel geen moslims, katholieken, mannen, kinderen of Belgen mijn huis binnen te laten, maar van de overheid verwachten wij allen iets anders. Dat is de kern van een democratische samenleving waarin de minderheid wordt beschermd. Wie de boerka draagt doet dat vaak uit volle overtuiging: zo iemand heeft recht op respect van de overheid.