Toezicht op de advocatuur: de Orde van Advocaten vs. de Staatssecretaris van Justitie

Deze week publiceerde Rein Jan Hoekstra zijn eindrapport 2012 over het toezicht op de Nederlandse advocatuur. Hoekstra was door de Nederlandse Orde van Advocaten gevraagd om te oordelen over de ‘kwaliteit, objectiviteit en integriteit van het lokale toezicht op advocaten zoals dat wordt uitgeoefend door de lokale deken.’ Net zoals het interim-rapport uit juni 2012 is het eindrapport gematigd kritisch. Er is behoefte aan professionalisering van het toezicht (aanbevolen wordt onder meer dat de lokale deken niet langer ook de zelf de advocatuur uitoefent) en aan een pro-actiever houding van de deken (met meer bezoek aan kantoren). Ook moet de publieke verantwoording van wat de deken doet worden verbeterd. Dit rapport is de laatste ontwikkeling in een slijtageslag tussen de Nederlandse Orde van Advocaten en de Staatssecretaris van Justitie. De laatste diende in 2011 een wetsvoorstel in dat moet leiden tot een onafhankelijke toezichthouder binnen de advocatuur, iets dat door de Orde van Advocaten als ‘onaanvaardbaar’ is gekwalificeerd. Het zou de onafhankelijkheid van de advocatuur aantasten en daarmee de rechtsstaat bedreigen. De Orde van Advocaten zet daarom in op het zoveel mogelijk in eigen kring houden van de controle op wat zijn leden doen.

Er valt heel veel te zeggen over wat de juiste wijze van toezicht op de advocatuur is. Wie als buitenstaander kennis neemt van de tussen de Orde van Advocaten en Staatssecretaris gewisselde stukken kan zich niet aan de indruk onttrekken dat aan beide kanten sprake is van ingraven in de eigen positie. Dat verdient geen schoonheidsprijs, juist voor instanties die goede geschillenbeslechting hoog in het vaandel hebben staan. Enerzijds is de vrees van de Orde terecht dat rechtzoekenden niet de indruk moeten hebben dat de advocatuur uiteindelijk onder toezicht staat van een overheidsinstantie (daargelaten of dat in het wetsvoorstel werkelijk het geval zal zijn). Anderzijds valt moeilijk vol te houden dat de huidige wijze van toezicht via de deken optimaal werkt. Toezichthouders bestaan op vele terreinen en de advocatuur is niet zo speciaal dat een onafhankelijke instantie niet zou mogen oordelen over wat er mis gaat. De argumenten van de Orde tegen onafhankelijk toezicht klinken mij iets te veel naar een zoveel mogelijk gesloten houden van de beroepsgroep. Ook met het voorstel dat individuen rechtstreeks moeten kunnen klagen bij de toezichthouder, en niet eerst de deken moeten aanspreken, is niets mis.

Wat mij misschien nog het meeste opvalt in deze discussie is dat bijzonder weinig aandacht wordt besteed aan ervaringen elders. Toezicht op de advocatuur kan langs vele wegen worden bewerkstelligd: inzicht in hoe dat elders geschiedt kan daarbij verhelderend werken. Zo kan mijns inziens veel worden geleerd van hoe de Engelse Office for Legal Complaints werkt – een ruimer onderzoek dan door de Orde van Advocaten eerder uitgevoerd is dan ook aangewezen. Ook valt op dat in de discussie vrijwel geen aandacht wordt besteed aan het grote belang van informatie. Het zou goed zijn wanneer de Orde een website creëert waarop verschillende advocaten(kantoren) met elkaar worden vergeleken, ook wat hun track record aangaat. Uitbreiding van de site Vind uw advocaat ligt dus voor de hand. Wie nu de website van de Orde bezoekt vindt geen namen van tuchtrechtelijk gestrafte advocaten. Hier brengt het wetsvoorstel terecht verandering in: het stelt voor de namen van de zwaarst gestrafte advocaten te publiceren. Hier kan de Orde nu al laten zien hoe belangrijk hij dit acht door die namen vrijwillig te publiceren.

Depardieu als Rus: maakt het iets uit?

Afgelopen zondag kreeg Gérard Depardieu van President Poetin een Russisch paspoort uitgereikt. De pers heeft de afgelopen maanden al uitgebreid gerapporteerd over de achtergrond hiervan: de voorgenomen invoering van een ‘rijkentax’ door de regering-Hollande en de wens van Depardieu om daaraan te ontkomen. Het oorspronkelijke wetsvoorstel – dat beoogt een tarief van 75% in te voeren op een inkomen van boven de één miljoen euro – is inmiddels door de Conseil Constitutionnel afgeschoten wegens ongerechtvaardigde ongelijkheid tussen verschillende groepen belastingplichtigen met een hoog inkomen, maar inmiddels wordt gewerkt aan een nieuwe versie. Anders dan sommige media melden is de Franse rijkenbelasting dus zeker niet van de baan.

De praktisch interessante vraag is natuurlijk in hoeverre de keuze voor het Russisch staatsburgerschap Depardieu gaat helpen in zijn pogingen om aan het hoge Franse tarief te ontkomen. De Franse vermogensbelasting geldt voor inwoners van Frankrijk en het enkele kiezen voor de Russische nationaliteit zal hem dus niet zo veel helpen. Beter is om gewoon te verhuizen naar Rusland. Deelrepubliek Mordovië schonk hem al een appartement in Saransk. Nog beter is het als Depardieu ook in Rusland gaat werken. Mordovië vroeg hem al om minister van cultuur te worden.

Intussen roept de hele affaire een fundamentele vraag op: wat moet het belang zijn van nationaliteit voor het toekennen van rechtsgevolgen? In de hoogtijdagen van de natiestaat werd nationaliteit beschouwd als een belangrijk criterium, maar naarmate de wereld verder globaliseert en een toenemend aantal mensen grensoverschrijdende activiteiten verricht, is dat in steeds mindere mate het geval. Rechtsgevolgen (zoals het betalen van belasting, de toepasselijkheid van sociale wetgeving, consumentenbescherming, de mogelijkheid een kind te adopteren, etc.) kunnen met name voortvloeien uit nationaliteit, woonplaats, de plaats waar arbeid wordt verricht en een expliciete keuze voor een bepaald rechtsstelsel. Mijns inziens mag nationaliteit als aanknopingspunt daarbij nog slechts een beperkte rol vervullen en dient het belang van rechtskeuze juist toe te nemen. In elk geval zou de wetgever bij elke nieuw wetsvoorstel meer dan nu het geval is moeten nadenken over dat aanknopingspunt.