Boerkaverbod blijft problematisch deel van nieuw regeerakkoord

Een nog weinig opgemerkte verandering van beleid van het nieuwe kabinet betreft de plannen voor de invoering van het zogenaamde boerkaverbod. Waar de vorige regering nog beoogde om een algeheel verbod op gelaatsbedekkende kleding in de openbare ruimte in te voeren, beoogt het regeerakkoord van oktober 2012 nog slechts een verbod op de boerka (maar evenzeer op de bivakmuts) in het onderwijs, de zorg, het openbaar vervoer en in overheidsgebouwen. Dat is een belangrijke beperking ten opzichte van het oude plan, maar nog altijd niet in overeenstemming met wat het recht ons leert over de wenselijkheid van zo een verbod. Vergelijking met landen waar een boerkaverbod al ingevoerd werd (zoals België en Frankrijk) en kennisname van wat juristen en politieke filosofen er over schreven kan ons leren wat de relevante argumenten zijn en hoe die moeten worden gewaardeerd.

Politieke filosofen zoals de Amerikaanse Martha Nussbaum hebben hier grondig over nagedacht. Nussbaum noemt in haar werk vijf argumenten die kunnen worden aangevoerd vóór een boerkaverbod, zij het dat ze bij nadere beschouwing geen van alle stand houden. Het is nuttig om ook in Nederland van die argumentencatalogus kennis te nemen.

Het eerste mogelijke argument voor een boerkaverbod is de openbare veiligheid: wie op openbare plekken komt, moet herkenbaar zijn. Op zichzelf is dit een valide argument, maar Nussbaum wijst er terecht op dat het dan ook consequent moet worden toegepast: de invallende winter maakt dat velen met muts en sjaal de straat op gaan. Mijn hockeyend nichtje bedekt haar gelaat tijdens een wedstrijd ook en ik zie bij mij in de buurt wel eens vrouwen met een gezichtsmasker op het terras zitten van een naast een schoonheidssalon gelegen café. Een probleem voor de veiligheid zien we daar niet in. Dat maakt een boerkaverbod op grond van dit argument inconsequent: óf het verbod geldt daadwerkelijk voor alle gezichtsbedekkende kleding (hetgeen praktisch onuitvoerbaar is) óf het geldt omdat iemand moslim is (hetgeen zozeer in strijd komt met fundamentele rechten dat niemand het in zijn hoofd haalt dit voor te stellen).

Een tweede argument voor een boerkaverbod wordt ook door het kabinet gebruikt: door het dragen van de boerka wordt deelname aan het maatschappelijk verkeer bemoeilijkt en daarmee de sociale samenhang in Nederland. Hiervoor geldt hetzelfde als zojuist: gesteld dat dit zo is – de zojuist gegeven voorbeelden wijzen in een andere richting – dan moet het toekomstige wetsvoorstel er in elk geval anders uitzien dan het door het vorige kabinet voorgestelde plan. De redenering mag niet zijn dat het gezicht bedekken alleen deelname aan het maatschappelijk verkeer belemmert als het gebeurt in de door het wetsvoorstel aangegeven gevallen (in de praktijk: vooral door moslima’s).

Een derde argument betreft de gelijkwaardigheid van man en vrouw. De gedachte is dat de boerka een product is van onderdrukking van de vrouw. Dat zou best wel eens zo kunnen zijn – hoewel we dat in de eerste plaats moeten vragen aan de draagsters zelf – maar dan valt er nog wel een ander wetsvoorstel in te dienen: het ‘helpen’ van de maximaal 150 boerkadraagsters in Nederland zou dan toch weinig prioriteit moeten hebben als ook kan worden opgetreden tegen pornosites, bepaalde reclame-uitingen en andere vormen van vrouwonvriendelijk gedrag.

Het vierde mogelijke argument uit Nussbaums catalogus luidt dat de vrouw niet gedwongen mag worden tot handelingen die zij niet wil: niemand zou de boerka ‘eigenlijk’ willen dragen. Minister Opstelten liet eerder weten dat de politie het boerkaverbod na invoering daadwerkelijk zal afdwingen. Ook dit is een argument dat inconsequent is: als het het kabinet werkelijk te doen is om bescherming van de vrouw, dan zijn nog wel andere maatregelen denkbaar. Optreden tegen de boerka legt het dan toch echt af tegen bijvoorbeeld aanpakken van huiselijk geweld (dat onder moslims niet hoger is dan onder aanhangers van een andere godsdienst).

Een laatste argument dat soms wordt aangevoerd is dat de boerka oncomfortabel is en gezondheidsproblemen kan veroorzaken. Ook dit valt niet uit te sluiten, maar dan moet alle kleding worden verboden die eventueel de gezondheid kan schaden. Platte schoenen, naaldhakken en corrigerend ondergoed zijn daarvan slechts enkele voorbeelden.

De conclusie luidt dat geen van deze vijf mogelijke argumenten voor een boerkaverbod stand kan houden. Dat maakt dat het aangepaste standpunt van het kabinet nog steeds inconsequent is. Ik ben een voorstander van het uitbannen van religieuze uitingen van ambtenaren tijdens de uitoefening van hun functie, maar de herziene plannen van het kabinet gaan veel verder dan dat. Dat maakt het boerkaverbod in strijd met het beginsel van gelijke behandeling. Een ieder in Nederland heeft immers het recht om te leven in overeenstemming met zijn of haar eigen voorkeuren en het is de taak van de overheid om dat recht te garanderen. Ik mag als privé-persoon andere voorkeuren hebben en besluiten om in het geheel geen moslims, katholieken, mannen, kinderen of Belgen mijn huis binnen te laten, maar van de overheid verwachten wij allen iets anders. Dat is de kern van een democratische samenleving waarin de minderheid wordt beschermd. Wie de boerka draagt doet dat vaak uit volle overtuiging: zo iemand heeft recht op respect van de overheid.