Ken uw naaste

Kent u Saúl Luciano Lliyua? Saúl is een Peruaanse boer. Hij woont in de Andes in de buurt van een gletsjer die de afgelopen tien jaar in snel tempo is gesmolten. Het daardoor ontstane meer vormt een grote bedreiging voor Saúl: als de gletsjer onder invloed van de opwarming van de aarde nog verder smelt, is de kans groot dat een vloedgolf hem en zijn dorpsgenoten zal wegvagen. Saúl kan twee dingen doen. In de eerste plaats kan hij wachten tot alle 195 VN-lidstaten thans aanwezig op de klimaattop in Parijs een verdrag hebben gesloten dat de opwarming van de aarde (volgens Saúl de oorzaak van het smelten van de gletsjer) tot staan brengt. De kans dat zo een vergaand verdrag er komt is nihil. In de tweede plaats kan hij trachten om individuele uitstoters van CO2 aansprakelijk te stellen. Dat laatste is precies wat Saúl heeft gedaan. Hij daagde de Duitse energiereus RWE voor de rechtbank in Essen en vordert dat RWE een bedrag van € 20.000 zal bijdragen aan de beveiliging van het meer, een bedrag dat is gebaseerd op de 0,47% van de totale CO2-uitstoot waar RWE volgens Saúl verantwoordelijk voor is.

Voor de leek lijkt dit misschien een voor de hand liggende vordering, maar juristen hebben er om verschillende redenen grote moeite mee. Had RWE echt anders moeten handelen jegens Saúl? Is het klimaat wel een rechtens beschermd belang? Wordt de schade van Saúl wel veroorzaakt door de uitstoot van RWE? En is het echt aan de rechter om hier een oordeel over te geven? In dit soort zaken moet de rechter op zoek naar de grenzen van het aansprakelijkheidsrecht en van zijn eigen rol in de rechtsstaat. Dat kan zo maar leiden tot een veel effectiever tegengaan van klimaatverandering dan een slap internationaal verdrag ooit zou kunnen. De grootste horde die moet worden genomen is dat Saúl wordt aangemerkt als iemand met wie RWE rekening heeft te houden of, zoals het Engelse recht dat op bijbelse wijze verwoordt, voor het recht als diens naaste (neighbour) geldt. Er valt veel voor te zeggen dat die naaste in een globaliserende samenleving een andere is dan honderd jaar geleden. Filosoof Peter Singer sprak van de zich uitbreidende morele cirkel: van gezin, klasse en natie tot de hele mensheid. Het is niet raar als dat ook tot uitdrukking komt in het recht. Misschien is dat meer bepalend voor de toekomst van de planeet dan de onderhandelingen in Parijs.

(eerder verschenen in Observant 14 (3 december 2015), p. 3

Urgenda en rechterlijk activisme: hoger beroep is een goede zaak

Vandaag maakte Staatssecretaris Mansveld bekend dat de Staat voornemens is om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag in de veel besproken Urgenda-zaak. Zoals bekend oordeelde de rechtbank in die zaak dat Nederland de CO2-uitstoot in 2020 met minimaal een kwart moet hebben verminderd ten opzichte van het peiljaar 1990. Opvallend genoeg ging het de afgelopen maanden niet zozeer over de inhoudelijke juistheid van die beslissing – er lijkt, behoudens een enkel dissident geluid, brede overeenstemming te zijn dat Nederland inderdaad méér moet doen om klimaatverandering tegen te gaan – maar vooral over de vraag of het wel aan de rechter is om leiding te geven aan de strijd tegen CO2-uitstoot. Zo zei Kamerlid Dijkstra: ‘als de rechter op de stoel van politici gaat zitten, kunnen we de Tweede Kamer net zo goed opdoeken en voortaan alles aan de rechter vragen.’ Lucas Bergkamp sprak van een ‘gevaar voor de rechtsstaat.’

Naar mijn smaak getuigen deze reacties van een veel te ouderwetse opvatting over de taken van wetgever en rechter. Soms lijkt het, met een beroep op een verkeerd begrepen trias politica, alsof we terug zijn in de negentiende eeuw waarin de rechter enkel werd geacht om ‘de wet’ toe te passen. Zo is het echter al lang niet meer. In de afgelopen decennia is de Hoge Raad diverse malen uiterst actief geweest in het stellen van – soms zeer gedetailleerde – regels. De bescherming van de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer is daarvan een goed voorbeeld. Het komt dan ook steeds minder voor dat de rechter oordeelt dat een bepaalde, gewenste, manier van beslissen de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Er lijkt zelfs in toenemende mate sprake te zijn van irritatie bij de hoogste rechter over de laksheid van de wetgever die steeds vaker zegt de ontwikkelingen ‘aan de praktijk’ te willen overlaten. Dat gebeurde recent onder meer bij principiële vragen over bewijsbeslag en aansprakelijkheid van de Staat bij overschrijding van de redelijke termijn in een civiele procedure. De Hoge Raad is dan bereid om toch tot het stellen van regels over te gaan, hetgeen de rechter noopt tot een beleidsmatige beslissing die in het verleden door de wetgever werd genomen.

Nu zal ik niet zeggen dat dit onproblematisch is. De heersende opvatting is nog altijd dat wanneer de rechter privaatrechtelijke normen toepast – en dat deed hij in de Urgenda-zaak – daarmee geen publieke doelen of verdelende rechtvaardigheid mogen worden nagestreefd. De rechter mag een evident onrechtvaardige situatie corrigeren, maar geen welomlijnd publiek beleid ontwikkelen. Toch is de vraag of de uitspraak van de Haagse rechter niet past in de ontwikkeling dat de rechter, die vaak als eerste geroepen wordt om te oordelen over prangende vragen, moet goedmaken waartoe de wetgever niet langer bereid is of in staat lijkt, namelijk het verschaffen van een opvatting over wat juridisch behoort is in een globaliserende en technologisch steeds geavanceerder wordende maatschappij. Dat zou passen bij pleidooien als dat van Spier om een privaatrecht ‘voor de lange termijn’ te ontwikkelen dat kan bijdragen aan de strijd tegen onder meer klimaatverandering, maatschappelijk onverantwoord ondernemen en de bescherming van toekomstige generaties in het algemeen.

In dit licht beschouwd neemt de Nederlandse Staat de juiste beslissing door in beroep te gaan. De uiteindelijke beslissing van de Hoge Raad zal meer duidelijkheid verschaffen over de grenzen van rechterlijk activisme. Of de uitspraak wezenlijk anders zal luiden dan die van de rechtbank Den Haag is evenwel volstrekt niet zeker.

 

De klimaattop in Doha: streven naar een internationale oplossing is niet altijd beter

In Doha (Quatar) verzamelen deze week 17.000 mensen voor de achttiende ronde van de internationale klimaatconferentie. De verwachtingen zijn, net als in voorgaande jaren, laag gespannen: de kans is klein dat tot zinvolle en afdwingbare afspraken wordt gekomen om de CO2-uitstoot in de wereld te reduceren. De nationale belangen liggen te ver uit elkaar. Dat roept de vraag op of het organiseren van dit soort monstercongressen – die door het grote aantal deelnemers zelf in niet geringe mate bijdragen aan de uitstoot van broeikasgassen – wel zinvol is. De onuitgesproken veronderstelling is dat de enige echte oplossing voor CO2-uitstoot tot stand moet worden gebracht door staten via een internationaal verdrag. Internationaal recht is echter in sterke mate politiek van aard en maar zelden in staat om een effectieve vuist te maken tegen grensoverschrijdende problemen.

Een alternatief voor internationale samenwerking is daarom om het initiatief in veel sterkere mate bij individuele landen te leggen. Dat heeft als bijkomend voordeel dat die zich niet langer kunnen verschuilen achter andere landen met het argument dat als anderen niet willen van hen ook niet het uiterste mag worden verwacht. In een recente bijdrage in NRC Handelsblad pleit klimaateconoom Richard Tol bijvoorbeeld voor het invoeren van een koolstofbelasting. Individuele landen zouden een dergelijke belasting kunnen heffen op de omzet of winst van bedrijven. Het klassieke argument tegen dit soort eenzijdige maatregelen is dat een land zichzelf uit de markt prijst: bedrijven verlaten het land dat voor hen ongunstige voorwaarden hanteert. Uit onderzoek blijkt echter dat een dergelijk beleid ook een positief effect kan hebben: andere landen kunnen bereid zijn om milieubeschermende maatregelen over te nemen en bedrijven kunnen juist naar de staat verhuizen dat dit soort op het eerste gezicht voor hen ongunstige maatregelen neemt. De Amerikaanse hoogleraar David Vogel noemt dit het California effect. Dit komt waarschijnlijk deels doordat staten en bedrijven zich graag associëren met progressieve en maatschappij-vriendelijke maatregelen. Het is goed als de staten die deze week in Doha aan het onderhandelen zijn zich dit realiseren. De oplossing behoeft niet tot stand te komen door consensus, maar vereist moed van individuele landen om eenzijdig maatregelen te nemen.