Seasteading: recht op zee

De recente discussie over belastingontwijking door multinationals deed mij denken aan het zg. Seasteading Institute. Deze organisatie die werd opgericht door Patri Friedman (kleinzoon van de Chicago-econoom Milton Friedman) en die mede wordt gefinancierd door dot-com-miljardair Peter Thiel heeft een hoogst interessant doel: het creëren van geheel niece samenlevingen in internationale wateren. Daarmee kan met verschillende typen overheidsbemoeienis en recht worden geëxperimenteerd. Enkele citaten uit interviews die Friedman gaf aan The Economist en aan de Financial Times: ‘If you are unhappy with your government, then you should be free to use another one – or, better still, start one yourself.’ En: ‘Think about all the hot air and argumentation about a whole host of different political issues – freedom vs. security, absolute wealth vs. inequality, strong family vs. tolerance, open vs. closed borders, whatever the topic du jour is. Instead of deciding them through rhetoric, or voting on a few representatives to decide them for tens or hundreds of millions of people at once, imagine if we could try them each on a small scale and see what happens.’ Dit initiatief kreeg in de VS al flink wat aandacht, ook omdat Friedman investeerders bereid vond om hier geld in te stoppen en het idee daadwerkelijk uit te proberen. Dat leidt wellicht tot een charter city op een kunstmatig eiland voor de kust van Californië.

Ik vind dit om twee redenen een fascinerend plan. In de eerste plaats is dit een schitterend gedachtenexperiment. Wanneer komende september weer een nieuwe generatie rechtenstudenten de universiteiten betreedt, kan de gedachte dat een ieder in staat is een eigen jurisdictie te stichten worden gebruikt om te reflecteren op de doeleinden van het recht. Het dwingt ons om veel veronderstellingen die aan ons recht ten grondslag liggen te doordenken.

In de tweede plaats interesseert Seasteading mij vanwege mijn belangstelling voor ‘rechtstoerisme’ of ‘legal tourism’ en de mogelijkheid voor burgers om de eigen jurisdictie te verlaten. Op bepaalde terreinen (zoals contractenrecht en ondernemingsrecht, maar dus ook niet zelden op het terrein van belastingrecht) is dat al lang mogelijk en opteren partijen regelmatig voor het recht van een ander land. Maar het huidige internationaal privaatrecht staat dit lang niet altijd toe. Iemand de mogelijkheid geven om de eigen jurisdictie geheel te verlaten is iets anders en het Seasteading-initiatief scherpt ons in waarom dit zo is. Als iemand zegt: ‘Ik wil niet langer gebruik maken van openbare voorzieningen; ik zal niet langer participeren in de het politieke en openbare leven van mijn land; ik hoef geen paspoort meer te hebben want ik heb besloten om naar dit kunstmatige eiland op zee te verhuizen; en ik ben bereid om een exit-belasting te betalen aan het land dat mij eerder diensten leverde, waarom zou ik dan nog gebonden zijn aan het recht van het land waar ik werd geboren of woonde?’ Dat is een relevante vraag die niet vaak wordt gesteld.

Mijn eigen perspectief is intussen iets minder revolutionair. De belangrijkste reden waarom seasteading op zee attractief is, is dat het bestaande regeringen competitiever maakt. De vraag is echter of daarvoor nodig is dat mensen echt fysiek naar een kunstmatig eiland verhuizen. De huidige discussie over belastingontwijking laat zien dat de rijken van deze wereld nu al in staat zijn om hun eigen rechtsstelsel te laten voor wat het is en in plaats daarvan te kiezen voor een veelheid aan andere rechtssystemen (zoals het ondernemingsrecht van Delaware, het contractenrecht van de staat New York, het belastingstelsel van Aruba en het familierecht van Mexico Stad). Dit heeft als onmiskenbaar voordeel dat men aantrekkelijke steden als New York, Berlijn en Luik niet fysiek hoeft te verruilen voor een plekje op zee. De meeste mensen vinden de overheid en het recht, indien het aan bepaalde minimumeisen voldoet, immers veel minder belangrijk dan de mogelijkheid om te genieten van de schoonheid van de omgeving of de aanwezigheid van winkels. Nu al gebruik maken van de mogelijkheden van rechtskeuze biedt dus een minder kostbaar alternatief voor Seasteading. Maar ook dit kan uiteraard niet onbeperkt: het recente debat over belastingontwijking toont aan dat we beter moeten nadenken over de grenzen van rechtskeuze.

Een gezonde levensstijl: een duwtje in de goede richting?

Afgelopen september besloot de stad New York een verbod in te voeren op het verkopen van frisdrank in extra grote bekers (de zogenaamde ‘supersize’: bijna een halve liter, of meer natuurlijk voor als je écht dorst hebt). Dat was een mooi voorbeeld van stedelijk activisme à la Benjamin Barber: het nuttigen van grote hoeveelheden frisdrank is een belangrijke oorzaak van obesitas en daarmee een gevaar voor de volksgezondheid. De drankenindustrie kondigde onmiddellijk een juridisch offensief aan tegen deze maatregel die in haar ogen de vrijheid van de consument te zeer aantast. Een eerste oordeel van de rechter is er nu: enkele uren voor het verbod op verkoop vorige week ingevoerd zou worden oordeelde rechter Milton Tingling van de New York Supreme Court het verbod onrechtmatig, onder andere omdat niet burgemeester Bloomberg bevoegd zou zijn, maar enkel de gemeenteraad. Het einde van de juridische strijd is dit zeker niet: de stad heeft al beroep aangetekend en het lijkt relatief eenvoudig om nieuwe maatregelen in te voeren die de bezwaren van de rechter zullen omzeilen.

De vraag is wat we van dit type maatregelen moeten vinden. Is dit een te zeer de individuele vrijheid inperkende maatregel van de bekritiseerde nanny state of een gerechtvaardigde manier om een gezonde(re) levensstijl te bevorderen? Ik kies zonder aarzeling voor het laatste. Obesitas kost de stad New York meer dan vier miljard dollar per jaar. Die ziektekosten worden uiteindelijk gedragen door de gehele gemeenschap. En: het gaat hier niet om afdwinging van een maximum hoeveelheid frisdrank per inwoner per dag. Iedereen die meer dan een halve liter wil drinken kan dat doen, maar moet dan wel minimaal twee bekers kopen. Dat past geheel bij het geven van een duwtje in de goede richting. Deze ‘nudge’ staat sterk in de belangstelling dankzij het bekende boek van Sunstein en Thaler: de overheid mag burgers helpen bij het maken van wat zij de juiste keuze vindt. Wie het met die keuze niet eens is, moet gewoon iets meer moeite doen. Met een dergelijke choice architecture is niets mis.

Is de toekomst aan de stad? Over Benjamin Barbers If Mayors Ruled the World

Deze week was de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber op bezoek in Nederland. Hij gaf een lezing in Utrecht over zijn binnenkort te verschijnen boek If Mayors Ruled the World. Barbers stelling is intrigerend en belangrijk. Er is al vele malen op gewezen dat een steeds verder toenemend percentage van de wereldbevolking in steden leeft. Barbers nieuwe boek – met als ondertitel ‘why cities can and should govern globally and how they already do’ – bepleit dat die realiteit ook moet worden weerspiegeld in de politieke ordening van de wereld. Volgens hem hebben staten grotendeels afgedaan en hebben steden de toekomst omdat die de problemen van de hedendaagse maatschappij vaak veel beter kunnen aanpakken. En ze doen dat al. Na het mislukken van de klimaatconferentie van vorig jaar hebben 207 grote steden een Global Cities Climate Pact gesloten. Dat sluit aan bij initiatieven als dat van Londen om een tolsysteem in te voeren voor auto’s om zo het gebruik van de auto terug te dringen. Maatregelen om roken in de openbare ruimte tegen te gaan werden het eerst genomen door steden als New York en Los Angeles. In de recente discussie over nieuwe wapenwetgeving  krijgt de mening van burgemeester Michael Bloomberg van New York even veel aandacht als die van Obama. Bloomberg zei eerder: ‘I don’t listen to Washington very much. The difference between my level of government and other levels of government is that action takes place at the city level. While national government at this time is just unable to do anything, the mayors of this country have to deal with the real world.’ Veel maatschappelijke problemen bestaan vooral in de stad: daar moeten ze ook worden opgelost.

Dit is een aansprekende visie op de toekomst van politieke besluitvorming die ook voor juristen buitengewoon relevant is. De discussie – althans in Europa – gaat nu bijna uitsluitend over de overdracht van bevoegdheden door staten aan de Europese Unie. Dat is echter slechts een deel van de bredere discussie over wie welke bevoegdheden moet hebben. Indien steden beter in staat zijn om bepaalde problemen op te lossen dan de nationale overheid of de EU dient het recht dat te reflecteren. Steden zijn ook vaak beter in staat om innovatieve regels te introduceren die te ver gaan voor het land als geheel – de invoering van het homo-huwelijk door Mexico-Stad is daar een mooi voorbeeld van. Juristen zouden niet alleen moeten nadenken over welke zaken beter op een hoger geografisch niveau kunnen worden geregeld, maar ook over wanneer het lagere niveau beter is.