Lokt zelf-scan diefstal uit? Over het ongelijk van de Rotterdamse politierechter

 

Het was afgelopen week prominent in het nieuws: de politierechter van de rechtbank Rotterdam oordeelde dat zelf-scankassa’s diefstal uitlokken. De verdachte in kwestie had voor € 7,50 bij de zelfbedieningskassa van Albert Heijn afgerekend, maar bleek bij controle voor € 270 aan levensmiddelen in zijn karretje te hebben. De rechter wilde de diefstal niet goedpraten, maar zei dat op deze manier de supermarkt bestelen wel een stuk eenvoudiger  wordt: ‘Vergelijk het met je fiets die je op het Leidseplein neerzet zonder hem op slot te zetten. Dan moet je niet vreemd opkijken als deze gestolen wordt.’

Wat te denken van deze redenering? Wie kennis nam van het bericht, zal wel een onderbuikgevoel hebben dat er iets niet klopt in de gedachtegang van de rechter. Maar wat precies niet? In elk geval moeten we er van uitgaan dat in de ‘vertaling’ van de (helaas niet gepubliceerde) uitspraak voor een breed publiek iets grondig is misgegaan want juridisch is hier uiteraard geen sprake van uitlokking. Strafrechtelijke uitlokking houdt in dat een persoon een ander er toe aanzet een strafbaar feit te plegen. Dat is voor de Nederlandse wetgever een zo ernstig delict dat de uitlokker met eenzelfde straf wordt bedreigd als de pleger zelf. Maar Albert Heijn had uiteraard niet de intentie om de verdachte iets te laten stelen en van uitlokking is dus geen sprake.

Maar ook in een meer welwillende lezing van het nieuwsbericht heeft de Rotterdamse rechter ongelijk. Als hij immers suggereert dat sprake is van enigerlei ‘eigen schuld’ (in het strafrecht spreekt men van ‘medeschuld’) van Albert Heijn aan de diefstal omdat de supermarkt stelen zeer gemakkelijk heeft gemaakt, mag dat uiteraard niet leiden tot een verminderde strafbaarheid van de verdachte. Karakteristiek voor het strafrecht is nu juist dat de band tussen dader en slachtoffer wordt doorgesneden: een fout van de gedupeerde maakt de fout van de dader niet ongedaan. Dat betekent niet dat in de praktijk van het strafrecht eigen schuld van de benadeelde geen enkele rol speelt (bijvoorbeeld bij de beslissing van het Openbaar Ministerie om al dan niet te vervolgen), maar het voert voor mij toch echt een brug te ver om in geval van diefstal bij een zelf-scankassa (met steekproefsgewijze controle) de winkel een verwijt te maken.

En er is een nog veel belangrijker punt: de Rotterdamse rechter matigt zich ten onrechte een oordeel aan over menselijk gedrag. Hij stelt dat gebruik van de zelf-scankassa diefstal in de hand werkt. Dat vereist echter inzicht in de menselijke geest. Het zou zo maar kunnen dat wie besluit om zijn boodschappen zelf te scannen juist veel oplettender is dan de niet-scannende klant en er voor zorgt dat hij alle mogelijke moeite doet om niet per ongeluk een artikel níet te scannen. Dat is althans hoe het mij vergaat. Daarmee is niets gezegd over de kleine groep klanten die inderdaad het ‘oogmerk van wederrechtelijke toeëigening’ heeft (zoals art. 310 Wetboek van Strafrecht dat voor diefstal vereist). Maar hoe weten wij of zij kiezen voor de zelf-scankassa? Op het eerste gezicht doen zij er immers beter aan om naar de gewone kassa te gaan (waar hun tas veel minder vaak zal worden gecontroleerd). Hier wreekt zich dat de jurist doorgaans onvoldoende kennis heeft van menselijk gedrag. Het zou goed zijn als juridische oordelen vaker worden gebaseerd op bevindingen van de gedragswetenschappen die vaak veel informatie kunnen geven over hoe mensen zich normaliter gedragen. Hoe dan ook: de Rotterdamse politierechter doet het driewerf verkeerd.