Linkse wetenschap?

 

Hoe divers is de Nederlandse wetenschap? Volgens een meerderheid in de Tweede Kamer misschien niet zo heel divers. Vorige week nam de Kamer een motie aan die de regering oproept om na te gaan of de staf van Nederlandse universiteiten niet te homogeen is samengesteld. Het gaat dit keer niet om het relatief lage aantal vrouwelijke hoogleraren, maar om de politieke overtuiging van docenten en onderzoekers. De motie is ingegeven door de vrees dat wetenschappers te links zijn en dat dit in de weg staat aan een ‘diversiteit van perspectieven’ en aan ruimte voor ‘het vrije woord.’

Op het eerste gezicht is dit een verrassende oproep. Geen zinnig mens zal beweren dat een ‘liberale’ wetenschap leidt tot andere resultaten dan een ‘groene’, ‘christelijke’ of ‘sociaaldemocratische’ wetenschap. Er is alleen goed en slecht onderzoek. In een hoofdredactioneel commentaar had de NRC dan ook weinig goeds over voor de motie en repte van het ondergraven van de neutraliteit van de wetenschap. Als die niet waardenvrij is, kloppen de – inmiddels wereldberoemde – alternatieve feiten aan de deur. De vraag is of dit een verstandige reactie is. Natuurlijk is onderzoek naar de latrelaties van de zuidelijke rotspinguïn onafhankelijk van de politieke oriëntatie van de onderzoeker, maar heel veel aan de universiteit beoefende disciplines gaan niet alleen over feiten. Zij handelen ook over wat gewenst is of over wat werkt. In onder meer de economie, rechtswetenschap, sociale psychologie en gezondheidswetenschappen kunnen gemaakte keuzes (voor zowel thema als uitkomst) wel degelijk beïnvloed worden door politieke voorkeuren – die de goede onderzoeker uiteraard ook inzichtelijk maakt. Wetenschap gaat wel degelijk over waarden. En daar zijn we zeker gebaat bij een grote diversiteit aan perspectieven. Met partijpolitiek heeft dat niet per se iets te maken, maar moeilijk valt te ontkennen dat sommige onderzoeksthema’s ‘rechtser’ zijn dan andere.

Resteert de vraag of de universiteit inderdaad overwegend ‘linkse’ thema’s onderzoekt en onvoldoende aan zelfcensuur doet. Wordt de onderzoeker die de negatieve aspecten van immigratie of de positieve aspecten van een Nexit onderzoekt door collega’s met de nek aangekeken? Ik geloof er niets van. Dit was ooit anders: Buikhuisen kan er over meepraten. En wie het mooie jubileumboek ter gelegenheid van 40 jaar UM leest kan zich niet aan de indruk onttrekken dat wie in de beginjaren van onze universiteit geen PvdA stemde, het lastig had. Die tijd is gelukkig voorbij. De regering kan zich wijden aan belangrijker zaken.

Verschenen in: Observant 22 (16 februari 2017), p. 3

 

Naar een universitaire canon

Kent u Van Halen? Dit was de vraag die ik deze week aan onze eerstejaarsstudenten stelde. Van de 400 bij het college Contractenrecht aanwezigen bleek een grote meerderheid onbekend met deze Amerikaanse hardrockband. Het ten gehore brengen van een fragment uit Jump bood geen soelaas. Nu geef ik onmiddellijk toe dat Van Halen zijn grootste successen vierde toen onze studenten nog geboren moesten worden. Toch dacht ik dat zij hier een gemeenschappelijk referentiekader hadden met veertigers zoals ik. Dat was mooi geweest omdat aan de hand van de contracten die Van Halen placht af te sluiten met concertorganisatoren – die steevast de clausule ‘There will be no brown M&M’s in the backstage area’ bevatten – zo mooi kan worden uitgelegd wat contractvrijheid inhoudt.

Ik ben de laatste die zal beweren dat studenten steeds minder weten. Augustinus verkondigde dat al in de vierde eeuw en Karel van het Reve zei daar terecht over dat als dit juist zou zijn, het inmiddels niet langer mogelijk is om studenten zelfs maar de meest elementaire grondbegrippen van welke discipline dan ook bij te brengen. Bovendien kan het verwijt net zo zeer in omgekeerde richting worden gemaakt: in de afgelopen jaren trof ik diverse collega’s die nog nooit hadden gehoord van Kings of Leon of Stephenie Meyer. Dat gebrek aan een gemeenschappelijk referentiekader is lastig, uiteraard niet alleen waar het gaat om popcultuur, maar ook wat betreft de befaamde hoogcultuur in de vorm van kunst, wetenschap en filosofie. Dat wordt nog versterkt door het feit dat onze rechtenstudenten afkomstig zijn uit een veelheid aan landen met soms sterk uiteenlopende vooropleidingen: de international classroom – waar ik overigens een groot fan van ben – kent ook zijn beperkingen.

Is er een remedie? Wie hoog opgeeft van interdisciplinariteit – en welke universiteit doet dat tegenwoordig niet? – zou onze eerstejaars kennis moeten laten maken met de belangrijkste verworvenheden van cultuur en wetenschap. Zou het geen mooi project zijn als studenten en staf samen een canon maken van wat we aan de universiteit als algemeen gedeelde kennis beschouwen? Wat vinden onze studenten dat de staf absoluut moet weten en andersom? Ik zou zelf nog een stap verder gaan: maak een gemeenschappelijk eerste blok voor al onze studenten. Elk van onze zes faculteiten neemt een week voor haar rekening. Dat brengt de economen, juristen, psychologen, medici, geestes- en sociale wetenschappers samen in een niet eerder vertoond experiment. Zo komt dat gedeeld referentiekader er toch.

Verschenen in: Observant 10 (10 november 2016). p. 3

Waarheen, waarvoor? Naar een écht strategisch programma voor de universiteit

 

Het is weer zo ver: de Universiteit Maastricht buigt zich over een nieuw strategisch programma. Net als aan alle andere Nederlandse universiteiten wordt eens in de vijf jaar veel tijd en energie gestoken in het formuleren van een nieuwe missie en doelstellingen. Het gaat hier om de vraag waartoe de Universiteit Maastricht op aarde is, een levensvraag van dezelfde orde als die mij bij een sollicitatie ooit werd gesteld: ‘Meneer Smits, wie is u?’ Nu weet ik niet of u de strategische plannen van de Nederlandse universiteiten wel eens naast elkaar heeft gelegd, maar wie dat doet vindt daarin wel heel veel van hetzelfde. En men slaat niet onmiddellijk steil achterover van de gemaakte keuzes. Volgens het plan 2012-2016 van onze eigen UM zijn wij niet alleen een aantrekkelijke werkgever, maar ook geïnspireerd door kwaliteit, student-gericht, internationaal én verankerd in de regio, innovatief, academisch excellent en maatschappelijk relevant. Naar verluidt gaan we in het nieuwe programma 2016-2020 aan ‘community building’ en ‘employability’ doen, waarbij de universiteit ‘leef- en werkbaar’ blijft. Noem mij een universiteit die zich hier niet in kan vinden.

Voor mij bestaat een strategie niet uit gemeenplaatsen, maar uit het maken van keuzes voor een langere termijn dan vijf jaar gebaseerd op een heldere toekomstvisie. Om dat geen rituele dans te laten zijn is verbeeldingskracht nodig. Zo publiceerde de Times Higher Education afgelopen december inspirerende bijdragen over de vraag hoe het hoger onderwijs er in 2030 uit ziet. Een bonte verzameling opvattingen passeerde de revue. Zo meent de een dat tegen die tijd zo veel werk (inclusief onderwijs) door robots en devices zal worden verricht dat aan universiteiten geen behoefte meer bestaat. De ander voorspelt eerherstel voor het hoorcollege om de aandachtspanne van onze bloggende, twitterende en whatsappende studenten te verlengen. De volgende meent dat de traditionele scheiding tussen vakgebieden geheel verdwenen zal zijn, terwijl de vierde uitlegt dat nieuwe technologie niet alleen zal leiden tot universiteiten die op grote schaal over de landsgrenzen samenwerken, maar ook tot een internationale ranking van studenten. Die ongekende transparantie zal de arbeidsmarkt ingrijpend veranderen. Mijn punt is niet dat ons eigen strategisch programma moet speculeren over de toekomst, maar deze ontwikkelingen zelf kan sturen. Kunnen we afspreken dat het nieuwe programma van de UM échte strategische keuzes maakt, voor minstens de komende vijftien jaar geldt en clichés weet te vermijden?

(eerder verschenen in Observant 25 (10 maart 2016), p. 3)

Rendementsdenken: komen we verder?

De afgelopen maanden heb ik regelmatig moeten denken aan het lied ‘Aan de Amsterdamse Universiteit’ van de briljante tekstdichter Joop Visser (bij het grote publiek beter bekend uit een eerder leven onder de naam Jaap Fischer). Steeds wanneer werd bericht over Bunge- en Maagdenhuis hoorde ik Visser ergens diep in mij zingen: ‘Want de Amsterdamse Universiteit/bruist van aktie en van strijd/voor de Amsterdamse universiteit/Leve de kwaliteit.’ En nu is Louise Gunning opgestapt. Zelden zal het vertrek van een bestuurder zo weinig gaan bijdragen aan de oplossing van een probleem. Tot een einde van het door de demonstrerende studenten en stafleden gehekelde ‘rendementsdenken’ gaat haar vertrek immers niet leiden, niet aan de UvA en evenmin elders in het hoger onderwijs. De Nederlandse universiteiten zijn nu eenmaal publieke instellingen die voor het overgrote deel worden gefinancierd met belastinggeld. De verantwoordingsplicht die daaruit voortvloeit wordt – terecht – opgelegd door de overheid. Wie vindt dat die verantwoording, en de daaruit voortvloeiende prestatie-indicatoren, anders moet worden ingericht, moet vooral ook de Minister aanspreken. Ook de inwilliging van veel andere eisen van de Nieuwe Universiteit behoort helemaal niet tot de bevoegdheid van universiteitsbestuurders, die inderdaad (daar hebben de demonstranten gelijk) grotendeels zijn verworden tot radertjes in een hiërarchische overheidsorganisatie. Ook ik zou, als onverbeterlijk Romanticus, graag zien dat de politiek universiteitsbestuurders op hun blauwe ogen gelooft dat zij met ongelimiteerd gemeenschapsgeld prachtige dingen doen, maar ik heb niet de illusie dat dit gaat gebeuren.

Dit betekent niet dat de universiteiten zelf niets kunnen doen aan een te ver doorgevoerd rendementsdenken. Veel universiteiten nemen hun faculteiten de maat aan de hand van de zg. balanced scorecard, een door bedrijfseconomen Robert Kaplan en David Norton ontwikkeld instrument voor het behalen van lange termijndoelstellingen in organisaties. Het probleem met dit soort prestatie-indicatoren is dat wat niet meetbaar is, geen rol speelt bij de beoordeling. En wat wél meetbaar is (aantal studenten, studiesucces, aantal promoties, aandeel staf met BKO, etc.) vangt niet de essentie van de universiteit. Toch is hier reden voor hoop. Mijns inziens kunnen typisch universitaire waarden wel degelijk beter worden gemeten dan de weinig tot de verbeelding sprekende scorekaarten nu doen. Mijn voorstel is om op zijn minst de elementen academisch debat, community, bijdrage aan intellectuele ontwikkeling, vernieuwingsdrang, diversiteit in onderwijs en onderzoek en communicatie toe te voegen. Het kost misschien enige moeite om die factoren te kwantificeren, maar onmogelijk is dat zeker niet. Zó komen we verder.

(eerder verschenen in Observant 23 april 2015)

Een slecht voornemen voor 2015: één nationale wetenschapsagenda

Terugblikken en vooruitzien: het zijn bij uitstek activiteiten die plaatsvinden rond de jaarwisseling. Terugkijken is tegenwoordig gemakkelijk, althans voor wie zijn leven terug wil brengen tot domme cijfertjes. Zo ontving ik eind december de afgelopen week gepersonaliseerde jaaroverzichten van mijn favoriete websites academia.edu, SSRN, Facebook en Strava. Zij vertellen me haarfijn hoe vaak mijn publicaties werden gedownload, wie mijn foto’s heeft geliked en hoeveel kilometer ik liep. Buitengewoon kinderachtig om naar dit soort getallen te kijken, maar toch kan ik dat niet laten. Vooruitkijken naar 2015 is lastiger, zeker als het gaat om maatschappelijke trends. Toch staan de kranten vol met beschouwingen over wat de grote thema’s in 2015 zouden kunnen worden. Naast de serieuze onderwerpen die iedereen zelf kan bedenken, kunnen we trends verwachten als samen kleuren (echt waar) en slow cosmetics tot draadloos rennen en boter in de koffie (gewichtsverlies door extra vet!).

En wat brengt het Nederlandse wetenschapsbeleid in 2015? Ik heb weinig twijfel dat de Eerste Kamer in januari zal instemmen met de invoering van het leenstelsel. Interessanter – want onzekerder – is de discussie over de ‘Wetenschapsvisie 2025’ van minister Bussemaker. De grote kritiek op dit document is niet steeds terecht want er staat ook veel goeds in (open access, minder nadruk op kwantiteit, stimulering van jong talent). Enigszins geruststellend is ook de reactie van Bussemaker op de veel gehoorde kritiek dat straks enkel nog onderzoek wordt verricht dat direct maatschappelijke invloed heeft. Ze stemde vlak voor de kerst op haar weblog in met de Utrechtse hoogleraar Beatrice de Graaf: “De verbeelding moet aan de macht blijven, ook en juist op de wetenschapsagenda. Duizenden jonge onderzoekers staan te trappelen om de samenleving te laten delen in hun dromen, verbeelding en fantasieën. Ik stel voor om bij alle pleidooien voor ‘maatschappelijk nut’ die ruimte voor verbeelding en verrassing bovenaan op de wetenschapsagenda te zetten.” Daar wil ik de minister graag aan houden.

Maar wat zeker níet kan worden aanvaard is het plan voor een ‘Nationale Wetenschapsagenda’. Een ‘kenniscoalitie’ van VSNU, KNAW, NWO, Hogescholen, TO2, VNO-NCW en MKB Nederland moet daar in 2015 een voorstel voor doen, waarna het kabinet de agenda vaststelt. Dat is een slecht, want veel te centralistisch, voornemen: eigen aan wetenschap is nu juist dat verschillende agenda’s de juiste kunnen zijn en dus aanspraak moeten kunnen maken op financiering. Laat elke universiteit én discipline een eigen agenda maken en laat die met elkaar concurreren om het schaarse geld. Dat is een beter voornemen voor 2015.

(eerder verschenen in Observant, 8 januari 2015)

De kosten van kennis: het kan anders

Academisch-juridisch Nederland is boos. Vorige week publiceerden 63 hoogleraren een open brief aan Kluwer, de belangrijkste juridische uitgever in Nederland. Ik was één van hen. De reden is voor elke wetenschappelijke discipline van groot belang: de prijs die commerciële uitgeverijen aan de universiteiten vragen voor toegang tot informatie die voor een belangrijk deel door die universiteiten zelf wordt geproduceerd. In het geval van Kluwer zijn de cijfers schokkend. De Nederlandse universiteiten betalen samen bijna € 1 miljoen per jaar aan Kluwer voor toegang tot digitale informatie. Aan de Stichting PRO wordt vervolgens € 2 miljoen betaald voor overnames in readers en aan de Stichting Reprorecht nog eens € 2 miljoen voor losse fotokopieën. Het grootste deel daarvan komt ook terecht bij Kluwer, dat verreweg het grootste marktaandeel heeft. Die € 5 miljoen samen zou misschien nog acceptabel zijn als al die publicaties door derden waren geschreven, maar dat is niet het geval. Het overgrote deel wordt geschreven door universitaire auteurs. Universiteiten betalen dus dubbel: zij betalen eerst het salaris van de auteurs en vervolgens moeten zij diep in de buidel tasten om die publicaties voor studenten en staf beschikbaar te maken. Over het plaatsen van de pdf in open access doet de uitgever moeilijk.

Een soortgelijke situatie in de bètavakken leidde twee jaar geleden tot een oproep van de Britse wiskundige Timothy Gowers om Elsevier, die andere grote uitgever, te boycotten. Zijn petitie (www.thecostofknowledge.com) is inmiddels door 14.000 individuele wetenschappers getekend. In Nederland zijn de VSNU en NWO er inmiddels van overtuigd dat open access de toekomst heeft. Maar op de manier waarop zij dat wensen vorm te geven – in plaats van de lezers gaan de auteurs (lees: de universiteiten) aan de uitgevers betalen – valt veel af te dingen. De werkelijke vraag is daarom of de huidige wijze van wetenschappelijk publiceren niet haar langste tijd heeft gehad. Voor mij is dat een retorische vraag. Wat wij van uitgeverijen willen (maximale toegang tot kennis die met publiek geld is vergaard en organisatie van de peer review) kunnen wij als wetenschappers zelf vaak beter. Recente initiatieven wijzen de weg. Op het terrein van de bètawetenschappen richtten prestigieuze onderzoekfinanciers samen het elektronisch tijdschrift eLife op als alternatief voor Nature en Science. Sinds 2012 raadt Harvard zijn staf af om in andere dan redelijk geprijsde tijdschriften te publiceren en stelt geld beschikbaar voor open access initiatieven. Ook iets voor Nederlandse universiteiten?

(eerder verschenen in Observant 17 april 2014)

De toekomst van de jurist

Zo maar een berichtje uit de krant van vorige week: het aantal inschrijvingen voor de universitaire bachelors is in 2013 met zeven procent toegenomen. Goed nieuws, zou u zeggen. Maar dat geldt niet voor de studie Rechten, die als enige bachelor een daling noteerde. Daarin staat Nederland niet alleen. Aan Amerikaanse law schools was het aantal eerstejaars rechten afgelopen jaar het laagste sinds 1977. In Amerika is de reden vooral de slechte arbeidsmarkt: steeds minder studenten zijn bereid om zich drie jaar lang diep in de schulden te steken als niet zeker is dat zij die investering in een zeer hoog collegegeld kunnen terugverdienen. Dat leidt op dit moment tot een correctie door de markt: veel Amerikaanse faculteiten verlagen hun collegegeld of bieden goede studenten zelfs een gratis studie aan. Dat laatste is van levensbelang omdat goede studenten straks meer verdienen en daarmee de ranking van de faculteit verbeteren, hetgeen weer meer studenten aantrekt. Dit alles leidde in Amerika tot een publiek debat over de toekomst van de juridische opleiding, waarin zelfs Obama – zelf alumnus van Harvard Law School – zich mengde met een pleidooi om de rechtenstudie met een jaar in te korten.

In Nederland is de reden voor de verminderde belangstelling voor de rechtenstudie een andere. Over de kwaliteit van nieuwe studenten hebben we niets te klagen, zeker niet in Maastricht. Het is een fantastische ervaring om hier aan eerstejaars onderwijs te geven. Toen ik dat dit jaar weer deed, was ik opnieuw onder de indruk van het werkvermogen, de intellectuele denkkracht en het enthousiasme van de overgrote meerderheid van onze studenten. En waar anderen hun mond vol hebben van de international classroom is die hier werkelijkheid: onder mijn 270 studenten waren niet meer dan twintig Nederlanders.

Maar wat is dan de reden voor de verminderde populariteit van Rechten? Deels is dit te wijten aan een mislukt experiment met de invoering van een numerus clausus. Maar het zou kortzichtig zijn om alleen dat als de oorzaak te zien. De juridische opleiding in Nederland – die qua verplichte vakken voor diegenen die als advocaat of rechter willen werken in de afgelopen vijftig jaar onveranderd is gebleven – verdient een fundamentele hervorming en een nieuw elan. De wereld waarin onze afgestudeerden zullen werken is niet die van Grisham of Pleidooi, maar is er een van een sterk geglobaliseerde praktijk, online-geschillenbeslechting en internetgerechten. Laat het recht van de toekomst de opleiding bepalen.

(eerder verschenen in Observant 30 januari 2014)

Waarheen met de universiteit? Over Science in Transition

Waartoe is de universiteit op aarde? Die vraag wordt deze week gesteld op het KNAW-congres Science in transition. Gespreksstof is het recente manifest van vijf hoogleraren die pleiten voor een fundamentele herbezinning op de organisatie van onderzoek en onderwijs (www.scienceintransition.nl). NRC Handelsblad kwalificeerde hen als ‘rebellen’ die een ‘dolgedraaide wetenschap’ aan de orde stellen. Zo erg is het niet, maar hun pleidooi verdient wel alle aandacht en past wonderwel bij de noodkreet die onlangs ook de voorpagina van The Economist sierde: How science goes wrong. Een greep uit wat volgens het manifest in de afgelopen twee decennia is mis gelopen: de stortvloed aan wetenschappelijke publicaties van niet altijd hoge kwaliteit en zonder maatschappelijke waarde, de pervertering van onderwijs- en onderzoekvisitaties, de neiging om kwaliteit alleen af te meten aan citaties en impactfactoren, teveel promovendi zonder ambitie in de wetenschap (met name bij geneeskunde), een nadruk op scoren op korte termijn (salamiwetenschap), de weinig transparante wijze van verdeling van onderzoeksgeld, een verslechtering van de kwaliteit van afgestudeerden, een vertekend beeld van wetenschap bij het grote publiek (dat nog altijd zou geloven dat onderzoek een belangeloze speurtocht naar absolute zekerheden is). Bent u er nog? Het manifest gaat nog even door. Afzonderlijk is geen van deze klachten nieuw. Evenmin zijn zij onomstreden. Zo ben ik zelf geneigd te denken dat veel van de geschetste fenomenen eenvoudigweg een neveneffect zijn van een positieve ontwikkeling (we hebben systemen voor meting van kwaliteit, er is hoger onderwijs voor velen, er zijn bronnen voor externe onderzoekfinanciering, etc.). Het glas kan ook halfvol zijn.

Waarmee het manifest wél overtuigt – en de reden waarom het terecht grote aandacht krijgt – is met de boodschap dat de universiteit zichzelf opnieuw moet uitvinden. Dat gebeurde eerder rond 1800 dankzij Humboldt, rond 1900 met de introductie van de bètavakken en rond 1970 met hoger onderwijs voor velen. Dat pleit voor een debat in de universitaire gemeenschap over de toekomst. Ik noem een paar thema’s. Hoe aan studenten óók een brede opleiding te bieden die de fragmentatie van kennis doorbreekt (door gemeenschappelijke vakken in het eerste jaar?) Hoe fundamenteel en risicovol onderzoek blijvend te financieren en te organiseren (door een regelmatig wisselende pool van onderzoekers die universiteitsbreed worden geselecteerd ? Eén ding is zeker: de academische gemeenschap is aan zet.

(eerder gepubliceerd in Observant 7 november 2013)

Amateurs: hoe professioneel moet de universiteit zijn?

Hoe professioneel moet de universiteit zijn? Die vraag stelde ik mij toen ik op 6 juni mee deed aan het evenement ‘Alpe d’Huzes.’ Voor wie dat niet kent: zesduizend deelnemers fietsen of rennen die dag bij voorkeur zes maal de Alpe d’Huez op in een poging om zoveel mogelijk geld binnen te halen voor KWF Kankerbestrijding. Zelden heb ik een zo gepassioneerde community van deelnemers, supporters, vrijwilligers, organisatoren en sponsors gezien, allen bereid om veel trainingsuren (ik kan erover mee praten), vrije tijd en geld in het goede doel te stoppen.

Tijdens mijn beklimmingen moest ik – geloof het of niet – regelmatig denken aan de universiteit. Niet alleen aan mijn eigen universiteit in Maastricht, maar vooral ook aan de universiteit als instelling. Dat een stelletje amateurs in staat is zo veel mensen te motiveren voor een hoger doel, roept immers de vraag op of de universiteit wel op de juiste wijze wordt bestuurd. Fietsers, hardlopers en wetenschappers hebben veel gemeen: zij doen wat zij doen, niet omdat ze daartoe door anderen worden aangezet maar vanuit een intrinsieke motivatie, in het geval van de wetenschappers om het beste onderwijs te geven en het mooiste onderzoek te doen. De professionele universiteit van vandaag ontleedt het werk van die bezielde en gedreven medewerker echter het liefst op bedrijfsmatige wijze in kwantificeerbare beoordelingselementen voor alles wat hij doet. Dat is gevaarlijk: voordat je het weet is de universiteit verworden tot een koekjesfabriek met door markt en maatschappij gedicteerde doelen waarin wetenschappers nog slechts worden gezien als extern aangestuurde anonieme ‘processoren’ die op ieder moment kunnen worden ingeruild voor anderen. Laat de universiteit haar doelen vooral zelf bepalen met veel ruimte voor de creativiteit en tegendraadsheid van haar staf. Dat bevordert excellent onderwijs en onderzoek in sterkere mate dan een universiteit die inzet op productienormen, administratieve taakstellingen en managers-jargon.

De boodschap van Alpe d’Huzes is dat vergaande professionalisering en bedrijfsmatig werken niet per se tot het beste resultaat leiden. De zaken waar het aan de universiteit in hoofdzaak om gaat (voor wie dat niet weet: lees het net verschenen Universitas? van George Steiner) zijn gebaat bij wat Nobelprijswinnaar Richard Feynman ooit noemde “the pleasure of finding things out”, ruimte om óók af en toe aan te kunnen klooien. Het is goed als niet alleen wetenschappers, maar ook universiteitsbestuurders die boodschap uitdragen. Gaan we voor de universiteit of wordt het back to business?

(eerder verschenen in Observant 20 juni 2013)