Rendementsdenken: komen we verder?

De afgelopen maanden heb ik regelmatig moeten denken aan het lied ‘Aan de Amsterdamse Universiteit’ van de briljante tekstdichter Joop Visser (bij het grote publiek beter bekend uit een eerder leven onder de naam Jaap Fischer). Steeds wanneer werd bericht over Bunge- en Maagdenhuis hoorde ik Visser ergens diep in mij zingen: ‘Want de Amsterdamse Universiteit/bruist van aktie en van strijd/voor de Amsterdamse universiteit/Leve de kwaliteit.’ En nu is Louise Gunning opgestapt. Zelden zal het vertrek van een bestuurder zo weinig gaan bijdragen aan de oplossing van een probleem. Tot een einde van het door de demonstrerende studenten en stafleden gehekelde ‘rendementsdenken’ gaat haar vertrek immers niet leiden, niet aan de UvA en evenmin elders in het hoger onderwijs. De Nederlandse universiteiten zijn nu eenmaal publieke instellingen die voor het overgrote deel worden gefinancierd met belastinggeld. De verantwoordingsplicht die daaruit voortvloeit wordt – terecht – opgelegd door de overheid. Wie vindt dat die verantwoording, en de daaruit voortvloeiende prestatie-indicatoren, anders moet worden ingericht, moet vooral ook de Minister aanspreken. Ook de inwilliging van veel andere eisen van de Nieuwe Universiteit behoort helemaal niet tot de bevoegdheid van universiteitsbestuurders, die inderdaad (daar hebben de demonstranten gelijk) grotendeels zijn verworden tot radertjes in een hiërarchische overheidsorganisatie. Ook ik zou, als onverbeterlijk Romanticus, graag zien dat de politiek universiteitsbestuurders op hun blauwe ogen gelooft dat zij met ongelimiteerd gemeenschapsgeld prachtige dingen doen, maar ik heb niet de illusie dat dit gaat gebeuren.

Dit betekent niet dat de universiteiten zelf niets kunnen doen aan een te ver doorgevoerd rendementsdenken. Veel universiteiten nemen hun faculteiten de maat aan de hand van de zg. balanced scorecard, een door bedrijfseconomen Robert Kaplan en David Norton ontwikkeld instrument voor het behalen van lange termijndoelstellingen in organisaties. Het probleem met dit soort prestatie-indicatoren is dat wat niet meetbaar is, geen rol speelt bij de beoordeling. En wat wél meetbaar is (aantal studenten, studiesucces, aantal promoties, aandeel staf met BKO, etc.) vangt niet de essentie van de universiteit. Toch is hier reden voor hoop. Mijns inziens kunnen typisch universitaire waarden wel degelijk beter worden gemeten dan de weinig tot de verbeelding sprekende scorekaarten nu doen. Mijn voorstel is om op zijn minst de elementen academisch debat, community, bijdrage aan intellectuele ontwikkeling, vernieuwingsdrang, diversiteit in onderwijs en onderzoek en communicatie toe te voegen. Het kost misschien enige moeite om die factoren te kwantificeren, maar onmogelijk is dat zeker niet. Zó komen we verder.

(eerder verschenen in Observant 23 april 2015)

Lokt zelf-scan diefstal uit? Over het ongelijk van de Rotterdamse politierechter

 

Het was afgelopen week prominent in het nieuws: de politierechter van de rechtbank Rotterdam oordeelde dat zelf-scankassa’s diefstal uitlokken. De verdachte in kwestie had voor € 7,50 bij de zelfbedieningskassa van Albert Heijn afgerekend, maar bleek bij controle voor € 270 aan levensmiddelen in zijn karretje te hebben. De rechter wilde de diefstal niet goedpraten, maar zei dat op deze manier de supermarkt bestelen wel een stuk eenvoudiger  wordt: ‘Vergelijk het met je fiets die je op het Leidseplein neerzet zonder hem op slot te zetten. Dan moet je niet vreemd opkijken als deze gestolen wordt.’

Wat te denken van deze redenering? Wie kennis nam van het bericht, zal wel een onderbuikgevoel hebben dat er iets niet klopt in de gedachtegang van de rechter. Maar wat precies niet? In elk geval moeten we er van uitgaan dat in de ‘vertaling’ van de (helaas niet gepubliceerde) uitspraak voor een breed publiek iets grondig is misgegaan want juridisch is hier uiteraard geen sprake van uitlokking. Strafrechtelijke uitlokking houdt in dat een persoon een ander er toe aanzet een strafbaar feit te plegen. Dat is voor de Nederlandse wetgever een zo ernstig delict dat de uitlokker met eenzelfde straf wordt bedreigd als de pleger zelf. Maar Albert Heijn had uiteraard niet de intentie om de verdachte iets te laten stelen en van uitlokking is dus geen sprake.

Maar ook in een meer welwillende lezing van het nieuwsbericht heeft de Rotterdamse rechter ongelijk. Als hij immers suggereert dat sprake is van enigerlei ‘eigen schuld’ (in het strafrecht spreekt men van ‘medeschuld’) van Albert Heijn aan de diefstal omdat de supermarkt stelen zeer gemakkelijk heeft gemaakt, mag dat uiteraard niet leiden tot een verminderde strafbaarheid van de verdachte. Karakteristiek voor het strafrecht is nu juist dat de band tussen dader en slachtoffer wordt doorgesneden: een fout van de gedupeerde maakt de fout van de dader niet ongedaan. Dat betekent niet dat in de praktijk van het strafrecht eigen schuld van de benadeelde geen enkele rol speelt (bijvoorbeeld bij de beslissing van het Openbaar Ministerie om al dan niet te vervolgen), maar het voert voor mij toch echt een brug te ver om in geval van diefstal bij een zelf-scankassa (met steekproefsgewijze controle) de winkel een verwijt te maken.

En er is een nog veel belangrijker punt: de Rotterdamse rechter matigt zich ten onrechte een oordeel aan over menselijk gedrag. Hij stelt dat gebruik van de zelf-scankassa diefstal in de hand werkt. Dat vereist echter inzicht in de menselijke geest. Het zou zo maar kunnen dat wie besluit om zijn boodschappen zelf te scannen juist veel oplettender is dan de niet-scannende klant en er voor zorgt dat hij alle mogelijke moeite doet om niet per ongeluk een artikel níet te scannen. Dat is althans hoe het mij vergaat. Daarmee is niets gezegd over de kleine groep klanten die inderdaad het ‘oogmerk van wederrechtelijke toeëigening’ heeft (zoals art. 310 Wetboek van Strafrecht dat voor diefstal vereist). Maar hoe weten wij of zij kiezen voor de zelf-scankassa? Op het eerste gezicht doen zij er immers beter aan om naar de gewone kassa te gaan (waar hun tas veel minder vaak zal worden gecontroleerd). Hier wreekt zich dat de jurist doorgaans onvoldoende kennis heeft van menselijk gedrag. Het zou goed zijn als juridische oordelen vaker worden gebaseerd op bevindingen van de gedragswetenschappen die vaak veel informatie kunnen geven over hoe mensen zich normaliter gedragen. Hoe dan ook: de Rotterdamse politierechter doet het driewerf verkeerd.

 

 

Een slecht voornemen voor 2015: één nationale wetenschapsagenda

Terugblikken en vooruitzien: het zijn bij uitstek activiteiten die plaatsvinden rond de jaarwisseling. Terugkijken is tegenwoordig gemakkelijk, althans voor wie zijn leven terug wil brengen tot domme cijfertjes. Zo ontving ik eind december de afgelopen week gepersonaliseerde jaaroverzichten van mijn favoriete websites academia.edu, SSRN, Facebook en Strava. Zij vertellen me haarfijn hoe vaak mijn publicaties werden gedownload, wie mijn foto’s heeft geliked en hoeveel kilometer ik liep. Buitengewoon kinderachtig om naar dit soort getallen te kijken, maar toch kan ik dat niet laten. Vooruitkijken naar 2015 is lastiger, zeker als het gaat om maatschappelijke trends. Toch staan de kranten vol met beschouwingen over wat de grote thema’s in 2015 zouden kunnen worden. Naast de serieuze onderwerpen die iedereen zelf kan bedenken, kunnen we trends verwachten als samen kleuren (echt waar) en slow cosmetics tot draadloos rennen en boter in de koffie (gewichtsverlies door extra vet!).

En wat brengt het Nederlandse wetenschapsbeleid in 2015? Ik heb weinig twijfel dat de Eerste Kamer in januari zal instemmen met de invoering van het leenstelsel. Interessanter – want onzekerder – is de discussie over de ‘Wetenschapsvisie 2025’ van minister Bussemaker. De grote kritiek op dit document is niet steeds terecht want er staat ook veel goeds in (open access, minder nadruk op kwantiteit, stimulering van jong talent). Enigszins geruststellend is ook de reactie van Bussemaker op de veel gehoorde kritiek dat straks enkel nog onderzoek wordt verricht dat direct maatschappelijke invloed heeft. Ze stemde vlak voor de kerst op haar weblog in met de Utrechtse hoogleraar Beatrice de Graaf: “De verbeelding moet aan de macht blijven, ook en juist op de wetenschapsagenda. Duizenden jonge onderzoekers staan te trappelen om de samenleving te laten delen in hun dromen, verbeelding en fantasieën. Ik stel voor om bij alle pleidooien voor ‘maatschappelijk nut’ die ruimte voor verbeelding en verrassing bovenaan op de wetenschapsagenda te zetten.” Daar wil ik de minister graag aan houden.

Maar wat zeker níet kan worden aanvaard is het plan voor een ‘Nationale Wetenschapsagenda’. Een ‘kenniscoalitie’ van VSNU, KNAW, NWO, Hogescholen, TO2, VNO-NCW en MKB Nederland moet daar in 2015 een voorstel voor doen, waarna het kabinet de agenda vaststelt. Dat is een slecht, want veel te centralistisch, voornemen: eigen aan wetenschap is nu juist dat verschillende agenda’s de juiste kunnen zijn en dus aanspraak moeten kunnen maken op financiering. Laat elke universiteit én discipline een eigen agenda maken en laat die met elkaar concurreren om het schaarse geld. Dat is een beter voornemen voor 2015.

(eerder verschenen in Observant, 8 januari 2015)

Trip Advisor: een slechte bespreking blijft toegestaan

De afgelopen maanden berichtten de media over de praktijk van sommige hotels een ‘boete’ op te leggen aan gasten die het hotel ongunstig beoordelen op websites zoals Trip Advisor en Booking.com. Zo kwam vorige week in de publiciteit dat van de creditcard van het Britse koppel Tony en Jan Jenkinson 100 pond werd afgeboekt nadat zij over het Broadway Hotel in Blackpool hadden opgemerkt dat het een ‘filthy, stinking’ hotel is waar het behang los zit, het tapijt smerig is en de matras verre van brandschoon valt te noemen. Het hotel schreef het bedrag af na verwijzing naar zijn algemene voorwaarden die een ‘no bad review policy’ behelsden: ‘For every bad review left on any website, the group organiser will be charged a maximum £100 per review.’ Broadway Hotel is niet het enige dat zich van deze praktijk bedient.

De Britse consumentenautoriteit onderzoekt de zaak inmiddels en naar verluidt is het hotel zo geschrokken van alle publiciteit dat het de 100 pond inmiddels heeft terugbetaald aan de Jenkinsons. Dat is geen garantie dat dit in de toekomst niet weer gebeurt. Al te veel onderzoek hoeft de Britse overheid echter niet te doen. En zelfs de vrijheid van meningsuiting behoeft hier niet uit de kast te worden gehaald. Al sinds 1993 geldt immers de Europese richtlijn oneerlijke bedingen. Volgens die richtlijn, geïmplementeerd in alle lidstaten van de EU, is een ‘oneerlijk’ beding in de algemene voorwaarden bij een overeenkomst niet bindend voor de consument in een overeenkomst met een professioneel handelende partij. Vereist is dan dat een beding in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Men behoeft geen doorgewinterd jurist te zijn om vast te stellen dat dit bij een ‘no bad review’-beding zeker het geval is.

Betekent dit dat op een beoordelingswebsite om het even wat mag worden geschreven? Nee: de beoordeling zal wel moeten zijn gebaseerd op de werkelijke ervaringen van de reiziger. Staving met foto’s is dus altijd nuttig. Maar als de beoordeling niet naar de zin van het hotel (of het restaurant) is, kan het nooit een geldbedrag vorderen. Hoogstens kan de horeca-exploitant van de beheerder van de website eisen dat een bespreking van de site wordt afgehaald indien die evident niet is gebaseerd op werkelijke feiten. Zo blijven beoordelingswebsites wat ze zouden moeten zijn: een betrouwbare bron van informatie voor exploitant én toekomstige klanten.

(eerder verschenen in Maastricht Law News & Views 28 november 2014)

De kosten van kennis: het kan anders

Academisch-juridisch Nederland is boos. Vorige week publiceerden 63 hoogleraren een open brief aan Kluwer, de belangrijkste juridische uitgever in Nederland. Ik was één van hen. De reden is voor elke wetenschappelijke discipline van groot belang: de prijs die commerciële uitgeverijen aan de universiteiten vragen voor toegang tot informatie die voor een belangrijk deel door die universiteiten zelf wordt geproduceerd. In het geval van Kluwer zijn de cijfers schokkend. De Nederlandse universiteiten betalen samen bijna € 1 miljoen per jaar aan Kluwer voor toegang tot digitale informatie. Aan de Stichting PRO wordt vervolgens € 2 miljoen betaald voor overnames in readers en aan de Stichting Reprorecht nog eens € 2 miljoen voor losse fotokopieën. Het grootste deel daarvan komt ook terecht bij Kluwer, dat verreweg het grootste marktaandeel heeft. Die € 5 miljoen samen zou misschien nog acceptabel zijn als al die publicaties door derden waren geschreven, maar dat is niet het geval. Het overgrote deel wordt geschreven door universitaire auteurs. Universiteiten betalen dus dubbel: zij betalen eerst het salaris van de auteurs en vervolgens moeten zij diep in de buidel tasten om die publicaties voor studenten en staf beschikbaar te maken. Over het plaatsen van de pdf in open access doet de uitgever moeilijk.

Een soortgelijke situatie in de bètavakken leidde twee jaar geleden tot een oproep van de Britse wiskundige Timothy Gowers om Elsevier, die andere grote uitgever, te boycotten. Zijn petitie (www.thecostofknowledge.com) is inmiddels door 14.000 individuele wetenschappers getekend. In Nederland zijn de VSNU en NWO er inmiddels van overtuigd dat open access de toekomst heeft. Maar op de manier waarop zij dat wensen vorm te geven – in plaats van de lezers gaan de auteurs (lees: de universiteiten) aan de uitgevers betalen – valt veel af te dingen. De werkelijke vraag is daarom of de huidige wijze van wetenschappelijk publiceren niet haar langste tijd heeft gehad. Voor mij is dat een retorische vraag. Wat wij van uitgeverijen willen (maximale toegang tot kennis die met publiek geld is vergaard en organisatie van de peer review) kunnen wij als wetenschappers zelf vaak beter. Recente initiatieven wijzen de weg. Op het terrein van de bètawetenschappen richtten prestigieuze onderzoekfinanciers samen het elektronisch tijdschrift eLife op als alternatief voor Nature en Science. Sinds 2012 raadt Harvard zijn staf af om in andere dan redelijk geprijsde tijdschriften te publiceren en stelt geld beschikbaar voor open access initiatieven. Ook iets voor Nederlandse universiteiten?

(eerder verschenen in Observant 17 april 2014)

De toekomst van de jurist

Zo maar een berichtje uit de krant van vorige week: het aantal inschrijvingen voor de universitaire bachelors is in 2013 met zeven procent toegenomen. Goed nieuws, zou u zeggen. Maar dat geldt niet voor de studie Rechten, die als enige bachelor een daling noteerde. Daarin staat Nederland niet alleen. Aan Amerikaanse law schools was het aantal eerstejaars rechten afgelopen jaar het laagste sinds 1977. In Amerika is de reden vooral de slechte arbeidsmarkt: steeds minder studenten zijn bereid om zich drie jaar lang diep in de schulden te steken als niet zeker is dat zij die investering in een zeer hoog collegegeld kunnen terugverdienen. Dat leidt op dit moment tot een correctie door de markt: veel Amerikaanse faculteiten verlagen hun collegegeld of bieden goede studenten zelfs een gratis studie aan. Dat laatste is van levensbelang omdat goede studenten straks meer verdienen en daarmee de ranking van de faculteit verbeteren, hetgeen weer meer studenten aantrekt. Dit alles leidde in Amerika tot een publiek debat over de toekomst van de juridische opleiding, waarin zelfs Obama – zelf alumnus van Harvard Law School – zich mengde met een pleidooi om de rechtenstudie met een jaar in te korten.

In Nederland is de reden voor de verminderde belangstelling voor de rechtenstudie een andere. Over de kwaliteit van nieuwe studenten hebben we niets te klagen, zeker niet in Maastricht. Het is een fantastische ervaring om hier aan eerstejaars onderwijs te geven. Toen ik dat dit jaar weer deed, was ik opnieuw onder de indruk van het werkvermogen, de intellectuele denkkracht en het enthousiasme van de overgrote meerderheid van onze studenten. En waar anderen hun mond vol hebben van de international classroom is die hier werkelijkheid: onder mijn 270 studenten waren niet meer dan twintig Nederlanders.

Maar wat is dan de reden voor de verminderde populariteit van Rechten? Deels is dit te wijten aan een mislukt experiment met de invoering van een numerus clausus. Maar het zou kortzichtig zijn om alleen dat als de oorzaak te zien. De juridische opleiding in Nederland – die qua verplichte vakken voor diegenen die als advocaat of rechter willen werken in de afgelopen vijftig jaar onveranderd is gebleven – verdient een fundamentele hervorming en een nieuw elan. De wereld waarin onze afgestudeerden zullen werken is niet die van Grisham of Pleidooi, maar is er een van een sterk geglobaliseerde praktijk, online-geschillenbeslechting en internetgerechten. Laat het recht van de toekomst de opleiding bepalen.

(eerder verschenen in Observant 30 januari 2014)

Waarheen met de universiteit? Over Science in Transition

Waartoe is de universiteit op aarde? Die vraag wordt deze week gesteld op het KNAW-congres Science in transition. Gespreksstof is het recente manifest van vijf hoogleraren die pleiten voor een fundamentele herbezinning op de organisatie van onderzoek en onderwijs (www.scienceintransition.nl). NRC Handelsblad kwalificeerde hen als ‘rebellen’ die een ‘dolgedraaide wetenschap’ aan de orde stellen. Zo erg is het niet, maar hun pleidooi verdient wel alle aandacht en past wonderwel bij de noodkreet die onlangs ook de voorpagina van The Economist sierde: How science goes wrong. Een greep uit wat volgens het manifest in de afgelopen twee decennia is mis gelopen: de stortvloed aan wetenschappelijke publicaties van niet altijd hoge kwaliteit en zonder maatschappelijke waarde, de pervertering van onderwijs- en onderzoekvisitaties, de neiging om kwaliteit alleen af te meten aan citaties en impactfactoren, teveel promovendi zonder ambitie in de wetenschap (met name bij geneeskunde), een nadruk op scoren op korte termijn (salamiwetenschap), de weinig transparante wijze van verdeling van onderzoeksgeld, een verslechtering van de kwaliteit van afgestudeerden, een vertekend beeld van wetenschap bij het grote publiek (dat nog altijd zou geloven dat onderzoek een belangeloze speurtocht naar absolute zekerheden is). Bent u er nog? Het manifest gaat nog even door. Afzonderlijk is geen van deze klachten nieuw. Evenmin zijn zij onomstreden. Zo ben ik zelf geneigd te denken dat veel van de geschetste fenomenen eenvoudigweg een neveneffect zijn van een positieve ontwikkeling (we hebben systemen voor meting van kwaliteit, er is hoger onderwijs voor velen, er zijn bronnen voor externe onderzoekfinanciering, etc.). Het glas kan ook halfvol zijn.

Waarmee het manifest wél overtuigt – en de reden waarom het terecht grote aandacht krijgt – is met de boodschap dat de universiteit zichzelf opnieuw moet uitvinden. Dat gebeurde eerder rond 1800 dankzij Humboldt, rond 1900 met de introductie van de bètavakken en rond 1970 met hoger onderwijs voor velen. Dat pleit voor een debat in de universitaire gemeenschap over de toekomst. Ik noem een paar thema’s. Hoe aan studenten óók een brede opleiding te bieden die de fragmentatie van kennis doorbreekt (door gemeenschappelijke vakken in het eerste jaar?) Hoe fundamenteel en risicovol onderzoek blijvend te financieren en te organiseren (door een regelmatig wisselende pool van onderzoekers die universiteitsbreed worden geselecteerd ? Eén ding is zeker: de academische gemeenschap is aan zet.

(eerder gepubliceerd in Observant 7 november 2013)

Amateurs: hoe professioneel moet de universiteit zijn?

Hoe professioneel moet de universiteit zijn? Die vraag stelde ik mij toen ik op 6 juni mee deed aan het evenement ‘Alpe d’Huzes.’ Voor wie dat niet kent: zesduizend deelnemers fietsen of rennen die dag bij voorkeur zes maal de Alpe d’Huez op in een poging om zoveel mogelijk geld binnen te halen voor KWF Kankerbestrijding. Zelden heb ik een zo gepassioneerde community van deelnemers, supporters, vrijwilligers, organisatoren en sponsors gezien, allen bereid om veel trainingsuren (ik kan erover mee praten), vrije tijd en geld in het goede doel te stoppen.

Tijdens mijn beklimmingen moest ik – geloof het of niet – regelmatig denken aan de universiteit. Niet alleen aan mijn eigen universiteit in Maastricht, maar vooral ook aan de universiteit als instelling. Dat een stelletje amateurs in staat is zo veel mensen te motiveren voor een hoger doel, roept immers de vraag op of de universiteit wel op de juiste wijze wordt bestuurd. Fietsers, hardlopers en wetenschappers hebben veel gemeen: zij doen wat zij doen, niet omdat ze daartoe door anderen worden aangezet maar vanuit een intrinsieke motivatie, in het geval van de wetenschappers om het beste onderwijs te geven en het mooiste onderzoek te doen. De professionele universiteit van vandaag ontleedt het werk van die bezielde en gedreven medewerker echter het liefst op bedrijfsmatige wijze in kwantificeerbare beoordelingselementen voor alles wat hij doet. Dat is gevaarlijk: voordat je het weet is de universiteit verworden tot een koekjesfabriek met door markt en maatschappij gedicteerde doelen waarin wetenschappers nog slechts worden gezien als extern aangestuurde anonieme ‘processoren’ die op ieder moment kunnen worden ingeruild voor anderen. Laat de universiteit haar doelen vooral zelf bepalen met veel ruimte voor de creativiteit en tegendraadsheid van haar staf. Dat bevordert excellent onderwijs en onderzoek in sterkere mate dan een universiteit die inzet op productienormen, administratieve taakstellingen en managers-jargon.

De boodschap van Alpe d’Huzes is dat vergaande professionalisering en bedrijfsmatig werken niet per se tot het beste resultaat leiden. De zaken waar het aan de universiteit in hoofdzaak om gaat (voor wie dat niet weet: lees het net verschenen Universitas? van George Steiner) zijn gebaat bij wat Nobelprijswinnaar Richard Feynman ooit noemde “the pleasure of finding things out”, ruimte om óók af en toe aan te kunnen klooien. Het is goed als niet alleen wetenschappers, maar ook universiteitsbestuurders die boodschap uitdragen. Gaan we voor de universiteit of wordt het back to business?

(eerder verschenen in Observant 20 juni 2013)

Seasteading: recht op zee

De recente discussie over belastingontwijking door multinationals deed mij denken aan het zg. Seasteading Institute. Deze organisatie die werd opgericht door Patri Friedman (kleinzoon van de Chicago-econoom Milton Friedman) en die mede wordt gefinancierd door dot-com-miljardair Peter Thiel heeft een hoogst interessant doel: het creëren van geheel niece samenlevingen in internationale wateren. Daarmee kan met verschillende typen overheidsbemoeienis en recht worden geëxperimenteerd. Enkele citaten uit interviews die Friedman gaf aan The Economist en aan de Financial Times: ‘If you are unhappy with your government, then you should be free to use another one – or, better still, start one yourself.’ En: ‘Think about all the hot air and argumentation about a whole host of different political issues – freedom vs. security, absolute wealth vs. inequality, strong family vs. tolerance, open vs. closed borders, whatever the topic du jour is. Instead of deciding them through rhetoric, or voting on a few representatives to decide them for tens or hundreds of millions of people at once, imagine if we could try them each on a small scale and see what happens.’ Dit initiatief kreeg in de VS al flink wat aandacht, ook omdat Friedman investeerders bereid vond om hier geld in te stoppen en het idee daadwerkelijk uit te proberen. Dat leidt wellicht tot een charter city op een kunstmatig eiland voor de kust van Californië.

Ik vind dit om twee redenen een fascinerend plan. In de eerste plaats is dit een schitterend gedachtenexperiment. Wanneer komende september weer een nieuwe generatie rechtenstudenten de universiteiten betreedt, kan de gedachte dat een ieder in staat is een eigen jurisdictie te stichten worden gebruikt om te reflecteren op de doeleinden van het recht. Het dwingt ons om veel veronderstellingen die aan ons recht ten grondslag liggen te doordenken.

In de tweede plaats interesseert Seasteading mij vanwege mijn belangstelling voor ‘rechtstoerisme’ of ‘legal tourism’ en de mogelijkheid voor burgers om de eigen jurisdictie te verlaten. Op bepaalde terreinen (zoals contractenrecht en ondernemingsrecht, maar dus ook niet zelden op het terrein van belastingrecht) is dat al lang mogelijk en opteren partijen regelmatig voor het recht van een ander land. Maar het huidige internationaal privaatrecht staat dit lang niet altijd toe. Iemand de mogelijkheid geven om de eigen jurisdictie geheel te verlaten is iets anders en het Seasteading-initiatief scherpt ons in waarom dit zo is. Als iemand zegt: ‘Ik wil niet langer gebruik maken van openbare voorzieningen; ik zal niet langer participeren in de het politieke en openbare leven van mijn land; ik hoef geen paspoort meer te hebben want ik heb besloten om naar dit kunstmatige eiland op zee te verhuizen; en ik ben bereid om een exit-belasting te betalen aan het land dat mij eerder diensten leverde, waarom zou ik dan nog gebonden zijn aan het recht van het land waar ik werd geboren of woonde?’ Dat is een relevante vraag die niet vaak wordt gesteld.

Mijn eigen perspectief is intussen iets minder revolutionair. De belangrijkste reden waarom seasteading op zee attractief is, is dat het bestaande regeringen competitiever maakt. De vraag is echter of daarvoor nodig is dat mensen echt fysiek naar een kunstmatig eiland verhuizen. De huidige discussie over belastingontwijking laat zien dat de rijken van deze wereld nu al in staat zijn om hun eigen rechtsstelsel te laten voor wat het is en in plaats daarvan te kiezen voor een veelheid aan andere rechtssystemen (zoals het ondernemingsrecht van Delaware, het contractenrecht van de staat New York, het belastingstelsel van Aruba en het familierecht van Mexico Stad). Dit heeft als onmiskenbaar voordeel dat men aantrekkelijke steden als New York, Berlijn en Luik niet fysiek hoeft te verruilen voor een plekje op zee. De meeste mensen vinden de overheid en het recht, indien het aan bepaalde minimumeisen voldoet, immers veel minder belangrijk dan de mogelijkheid om te genieten van de schoonheid van de omgeving of de aanwezigheid van winkels. Nu al gebruik maken van de mogelijkheden van rechtskeuze biedt dus een minder kostbaar alternatief voor Seasteading. Maar ook dit kan uiteraard niet onbeperkt: het recente debat over belastingontwijking toont aan dat we beter moeten nadenken over de grenzen van rechtskeuze.

Een gezonde levensstijl: een duwtje in de goede richting?

Afgelopen september besloot de stad New York een verbod in te voeren op het verkopen van frisdrank in extra grote bekers (de zogenaamde ‘supersize’: bijna een halve liter, of meer natuurlijk voor als je écht dorst hebt). Dat was een mooi voorbeeld van stedelijk activisme à la Benjamin Barber: het nuttigen van grote hoeveelheden frisdrank is een belangrijke oorzaak van obesitas en daarmee een gevaar voor de volksgezondheid. De drankenindustrie kondigde onmiddellijk een juridisch offensief aan tegen deze maatregel die in haar ogen de vrijheid van de consument te zeer aantast. Een eerste oordeel van de rechter is er nu: enkele uren voor het verbod op verkoop vorige week ingevoerd zou worden oordeelde rechter Milton Tingling van de New York Supreme Court het verbod onrechtmatig, onder andere omdat niet burgemeester Bloomberg bevoegd zou zijn, maar enkel de gemeenteraad. Het einde van de juridische strijd is dit zeker niet: de stad heeft al beroep aangetekend en het lijkt relatief eenvoudig om nieuwe maatregelen in te voeren die de bezwaren van de rechter zullen omzeilen.

De vraag is wat we van dit type maatregelen moeten vinden. Is dit een te zeer de individuele vrijheid inperkende maatregel van de bekritiseerde nanny state of een gerechtvaardigde manier om een gezonde(re) levensstijl te bevorderen? Ik kies zonder aarzeling voor het laatste. Obesitas kost de stad New York meer dan vier miljard dollar per jaar. Die ziektekosten worden uiteindelijk gedragen door de gehele gemeenschap. En: het gaat hier niet om afdwinging van een maximum hoeveelheid frisdrank per inwoner per dag. Iedereen die meer dan een halve liter wil drinken kan dat doen, maar moet dan wel minimaal twee bekers kopen. Dat past geheel bij het geven van een duwtje in de goede richting. Deze ‘nudge’ staat sterk in de belangstelling dankzij het bekende boek van Sunstein en Thaler: de overheid mag burgers helpen bij het maken van wat zij de juiste keuze vindt. Wie het met die keuze niet eens is, moet gewoon iets meer moeite doen. Met een dergelijke choice architecture is niets mis.