Wie doet wat? Over de waarde van David Camerons lezing over de Europese Unie

Nu de rede van David Cameron over de toekomst van de Europese Unie enkele weken achter ons ligt, kan langzamerhand de balans worden opgemaakt van wat die rede zoal aan reacties heeft opgeroepen. Die reacties zijn divers en lopen niet parallel aan de landsgrenzen van de lidstaten. Doorheen de lidstaten is zowel gejuich als scepsis te horen. Minstens even opvallend is dat de rede van Cameron in vrijwel alle lidstaten aanleiding geeft tot debat. Dat is buitengewoon positief want als er iets is dat Europa nodig heeft, dan is het wel méér publiek debat. Wat ik echter het meest verrassend vind is dat over een hoofdpunt van Camerons toespraak zoveel commotie is ontstaan.

In mijn interpretatie van Camerons toespraak staan daarin twee zaken centraal. Het eerste is dat het Verenigd Koninkrijk wil toewerken naar een referendum over de rol van het VK in de Europese Unie. Dat is vooral een interne aangelegenheid van de Britten en een voornemen waar Europese politici of andere lidstaten moeilijk kritiek op kunnen hebben.

Veel belangrijker is het tweede punt. Cameron bepleit dat een discussie wordt gevoerd over de optimale verdeling van bevoegdheden tussen de Europese Unie en de lidstaten. Hij verwijst daarbij naar de Nederlandse Minister-President die recent iets soortgelijks suggereerde. In het Verenigd Koninkrijk is onlangs al een ‘balance of competences review’ van start gegaan die informatie moet verschaffen over waar de EU van nut is en waar niet. Camerons punt is het volgende: ‘Let us not be misled by the fallacy that a deep and workable single market requires everything to be harmonised, to hanker after some unattainable and infinitely level playing field. (…) Countries are different. They make different choices. We cannot harmonise everything. For example, it is neither right nor necessary to claim that the integrity of the single market, or full membership of the European Union requires the working hours of British hospital doctors to be set in Brussels irrespective of the views of British parliamentarians and practitioners.’

Wij horen hier de verre echo van de Amerikaanse politicoloog Tiebout: harmonisatie leidt er onherroepelijk toe dat het niet langer mogelijk is om verschillende preferenties te bevredigen. Daarmee heeft Cameron een volstrekt valide punt. In de afgelopen decennia is in de praktijk van de Europese eenwording – toch vooral een politiek proces – wellicht onvoldoende nagedacht over welke bevoegdheid beter past op nationaal en welke beter op Europees niveau. Het befaamde subsidiariteitsbeginsel geeft daarbij niet veel houvast. Er wacht daarom een belangrijke taak voor juristen, economen en politieke wetenschappers om met meer robuuste criteria te komen.

In een brief van het kabinet aan de Tweede Kamer wordt aangekondigd dat ook de Nederlandse regering een debat zal aanzwengelen over de vraag of de huidige bevoegdhedenverdeling tussen de Europese en nationale overheden ‘toekomstbestendig’ is: ‘het debat moet zich richten op de vraag of de Unie de goede dingen doet, en die dingen goed doet.’ In de voor september 2013 aangekondigde Staat van de Unie gaan we daar meer over horen.

Voor zover de toespraak van de Britse premier en het standpunt van het Nederlandse kabinet zijn ingegeven door een vooropgezet idee dat zeker bepaalde bevoegdheden niet thuis horen op Europees niveau, is dat uiteraard verkeerd. Maar zo lees ik de beide documenten niet. Ingezet lijkt te worden op een objectieve waardering van de vraag waar welke bevoegdheid thuishoort. Dat valt alleen maar toe te juichen. In 2011 bestempelde de KNAW de vraag naar de toekomst van de Europese Unie ook al als één van de 49 vragen waar de wetenschap zich in de komende jaren mee bezig moet houden. De vraag naar de optimale verdeling van bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten wordt binnenkort dan ook besproken in twee KNAW-bijeenkomsten: op een bijeenkomst voor genodigden op 19 april in Maastricht en tijdens een publieksbijeenkomst op 22 oktober in Amsterdam.

Wie doet wat in Europa? Over de waarde van David Camerons lezing over de Europese Unie

Nu de rede van David Cameron over de toekomst van de Europese Unie enkele weken achter ons ligt, kan langzamerhand de balans worden opgemaakt van wat die rede zoal aan reacties heeft opgeroepen. Die reacties zijn divers en lopen niet parallel aan de landsgrenzen van de lidstaten. Doorheen de lidstaten is zowel gejuich als scepsis te horen. Minstens even opvallend is dat de rede van Cameron in vrijwel alle lidstaten aanleiding geeft tot debat. Dat is buitengewoon positief want als er iets is dat Europa nodig heeft, dan is het wel méér publiek debat. Wat ik echter het meest verrassend vind is dat over een hoofdpunt van Camerons toespraak zoveel commotie is ontstaan.

In mijn interpretatie van Camerons toespraak staan daarin twee zaken centraal. Het eerste is dat het Verenigd Koninkrijk wil toewerken naar een referendum over de rol van het VK in de Europese Unie. Dat is vooral een interne aangelegenheid van de Britten en een voornemen waar Europese politici of andere lidstaten moeilijk kritiek op kunnen hebben.

Veel belangrijker is het tweede punt. Cameron bepleit dat een discussie wordt gevoerd over de optimale verdeling van bevoegdheden tussen de Europese Unie en de lidstaten. Hij verwijst daarbij naar de Nederlandse Minister-President die recent iets soortgelijks suggereerde. In het Verenigd Koninkrijk is onlangs al een ‘review of the balance of competences’ van start gegaan die informatie moet verschaffen over waar de EU van nut is en waar niet. Camerons punt is het volgende: ‘Let us not be misled by the fallacy that a deep and workable single market requires everything to be harmonised, to hanker after some unattainable and infinitely level playing field. (…) Countries are different. They make different choices. We cannot harmonise everything. For example, it is neither right nor necessary to claim that the integrity of the single market, or full membership of the European Union requires the working hours of British hospital doctors to be set in Brussels irrespective of the views of British parliamentarians and practitioners.’

Wij horen hier de verre echo van de Amerikaanse politicoloog Charles Tiebout: harmonisatie leidt er onherroepelijk toe dat het niet langer mogelijk is om verschillende preferenties te bevredigen. Daarmee heeft Cameron een volstrekt valide punt. In de afgelopen decennia is in de praktijk van de Europese eenwording – toch vooral een politiek proces – wellicht onvoldoende nagedacht over welke bevoegdheid beter past op nationaal en welke beter op Europees niveau. Het befaamde subsidiariteitsbeginsel geeft daarbij niet veel houvast. Er wacht daarom een belangrijke taak voor juristen, economen en politieke wetenschappers om met meer robuuste criteria te komen.

In een brief van het kabinet aan de Tweede Kamer wordt aangekondigd dat ook de Nederlandse regering een debat zal aanzwengelen over de vraag of de huidige bevoegdhedenverdeling tussen de Europese en nationale overheden ‘toekomstbestendig’ is: ‘het debat moet zich richten op de vraag of de Unie de goede dingen doet, en die dingen goed doet.’ In de voor september 2013 aangekondigde Staat van de Unie gaan we daar meer over horen.

Voor zover de toespraak van de Britse premier en het standpunt van het Nederlandse kabinet zijn ingegeven door een vooropgezet idee dat zeker bepaalde bevoegdheden niet thuis horen op Europees niveau, is dat uiteraard verkeerd. Maar zo lees ik de beide documenten niet. Ingezet lijkt te worden op een objectieve waardering van de vraag waar welke bevoegdheid thuishoort. Dat valt alleen maar toe te juichen. In 2011 bestempelde de KNAW de vraag naar de toekomst van de Europese Unie ook al als één van de 49 vragen waar de wetenschap zich in de komende jaren mee bezig moet houden. De vraag naar de optimale verdeling van bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten wordt binnenkort dan ook besproken in twee KNAW-bijeenkomsten: op een bijeenkomst voor genodigden op 19 april in Maastricht en tijdens een voor het publiek toegankelijke bijeenkomst op 22 oktober in Amsterdam.

Bonussen SNS-top zijn wel degelijk terug te vorderen

Na de nationalisering van de SNS-Bank afgelopen vrijdag gaan terecht stemmen op om aan de SNS-top toegekende bonussen terug te vorderen. Niet alleen Minister van Financiën Dijsselbloem en PvdA-leider Diederik Samsom pleitten daarvoor, ook een meerderheid van de Tweede Kamer vindt dit een belangrijk signaal. De politici zijn echter van oordeel dat, hoe graag ze ook zouden willen, terugvordering thans onmogelijk is: het wetsvoorstel voor een zogenaamde ‘claw back’-regeling uit 2010 ligt nog bij de Eerste Kamer en kan dus nog niet worden ingezet.

Deze opvatting berust op een misverstand. Zoals het wetsvoorstel ‘Aanpassing en terugvordering van bonussen’ zelf ook uitdrukkelijk aangeeft, verduidelijkt het slechts reeds bestaande wettelijke mogelijkheden. In het Nederlandse recht wordt de verhouding tussen werkgever en werknemer in sterke mate beheerst door de zogenaamde ‘redelijkheid en billijkheid.’ Wat het wetsvoorstel doet is nog eens herhalen wat al lang geldend recht is, namelijk dat de Raad van Commissarissen van een vennootschap (zoals SNS) kan weigeren een overeengekomen bonus uit te keren indien dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Een bonus die al uitgekeerd is kan in dat geval worden teruggevorderd op grond van de zg. onverschuldigde betaling. Anders dan Dijsselbloem en Samsom denken is het juridisch instrumentarium dus reeds aanwezig.

Wat wél zal moeten worden aangetoond is dat het behouden van de toegekende bonussen aan de SNS-top inderdaad in strijd komt met die redelijkheid en billijkheid. Maar als waar is wat in de pers wordt gemeld over het gedrag van de SNS-bestuurders (premier Rutte noemde het ‘mismanagement’, anderen spraken van ‘wanbeleid’) is dat niet moeilijk. Daarbij zal ook helpen dat de Nederlandse Corporate Governance Code uit 2008, die door SNS Bank sinds inwerkingtreding volledig wordt onderschreven, de ‘claw back’-regeling nu reeds kent. Indien in de afgelopen jaren bij SNS bonussen zijn uitgekeerd – dat gebeurde overigens niet steeds wegens tegenvallende prestaties – staat er juridisch niets in de weg aan het terugvorderen daar van.

Toezicht op de advocatuur: de Orde van Advocaten vs. de Staatssecretaris van Justitie

Deze week publiceerde Rein Jan Hoekstra zijn eindrapport 2012 over het toezicht op de Nederlandse advocatuur. Hoekstra was door de Nederlandse Orde van Advocaten gevraagd om te oordelen over de ‘kwaliteit, objectiviteit en integriteit van het lokale toezicht op advocaten zoals dat wordt uitgeoefend door de lokale deken.’ Net zoals het interim-rapport uit juni 2012 is het eindrapport gematigd kritisch. Er is behoefte aan professionalisering van het toezicht (aanbevolen wordt onder meer dat de lokale deken niet langer ook de zelf de advocatuur uitoefent) en aan een pro-actiever houding van de deken (met meer bezoek aan kantoren). Ook moet de publieke verantwoording van wat de deken doet worden verbeterd. Dit rapport is de laatste ontwikkeling in een slijtageslag tussen de Nederlandse Orde van Advocaten en de Staatssecretaris van Justitie. De laatste diende in 2011 een wetsvoorstel in dat moet leiden tot een onafhankelijke toezichthouder binnen de advocatuur, iets dat door de Orde van Advocaten als ‘onaanvaardbaar’ is gekwalificeerd. Het zou de onafhankelijkheid van de advocatuur aantasten en daarmee de rechtsstaat bedreigen. De Orde van Advocaten zet daarom in op het zoveel mogelijk in eigen kring houden van de controle op wat zijn leden doen.

Er valt heel veel te zeggen over wat de juiste wijze van toezicht op de advocatuur is. Wie als buitenstaander kennis neemt van de tussen de Orde van Advocaten en Staatssecretaris gewisselde stukken kan zich niet aan de indruk onttrekken dat aan beide kanten sprake is van ingraven in de eigen positie. Dat verdient geen schoonheidsprijs, juist voor instanties die goede geschillenbeslechting hoog in het vaandel hebben staan. Enerzijds is de vrees van de Orde terecht dat rechtzoekenden niet de indruk moeten hebben dat de advocatuur uiteindelijk onder toezicht staat van een overheidsinstantie (daargelaten of dat in het wetsvoorstel werkelijk het geval zal zijn). Anderzijds valt moeilijk vol te houden dat de huidige wijze van toezicht via de deken optimaal werkt. Toezichthouders bestaan op vele terreinen en de advocatuur is niet zo speciaal dat een onafhankelijke instantie niet zou mogen oordelen over wat er mis gaat. De argumenten van de Orde tegen onafhankelijk toezicht klinken mij iets te veel naar een zoveel mogelijk gesloten houden van de beroepsgroep. Ook met het voorstel dat individuen rechtstreeks moeten kunnen klagen bij de toezichthouder, en niet eerst de deken moeten aanspreken, is niets mis.

Wat mij misschien nog het meeste opvalt in deze discussie is dat bijzonder weinig aandacht wordt besteed aan ervaringen elders. Toezicht op de advocatuur kan langs vele wegen worden bewerkstelligd: inzicht in hoe dat elders geschiedt kan daarbij verhelderend werken. Zo kan mijns inziens veel worden geleerd van hoe de Engelse Office for Legal Complaints werkt – een ruimer onderzoek dan door de Orde van Advocaten eerder uitgevoerd is dan ook aangewezen. Ook valt op dat in de discussie vrijwel geen aandacht wordt besteed aan het grote belang van informatie. Het zou goed zijn wanneer de Orde een website creëert waarop verschillende advocaten(kantoren) met elkaar worden vergeleken, ook wat hun track record aangaat. Uitbreiding van de site Vind uw advocaat ligt dus voor de hand. Wie nu de website van de Orde bezoekt vindt geen namen van tuchtrechtelijk gestrafte advocaten. Hier brengt het wetsvoorstel terecht verandering in: het stelt voor de namen van de zwaarst gestrafte advocaten te publiceren. Hier kan de Orde nu al laten zien hoe belangrijk hij dit acht door die namen vrijwillig te publiceren.

Depardieu als Rus: maakt het iets uit?

Afgelopen zondag kreeg Gérard Depardieu van President Poetin een Russisch paspoort uitgereikt. De pers heeft de afgelopen maanden al uitgebreid gerapporteerd over de achtergrond hiervan: de voorgenomen invoering van een ‘rijkentax’ door de regering-Hollande en de wens van Depardieu om daaraan te ontkomen. Het oorspronkelijke wetsvoorstel – dat beoogt een tarief van 75% in te voeren op een inkomen van boven de één miljoen euro – is inmiddels door de Conseil Constitutionnel afgeschoten wegens ongerechtvaardigde ongelijkheid tussen verschillende groepen belastingplichtigen met een hoog inkomen, maar inmiddels wordt gewerkt aan een nieuwe versie. Anders dan sommige media melden is de Franse rijkenbelasting dus zeker niet van de baan.

De praktisch interessante vraag is natuurlijk in hoeverre de keuze voor het Russisch staatsburgerschap Depardieu gaat helpen in zijn pogingen om aan het hoge Franse tarief te ontkomen. De Franse vermogensbelasting geldt voor inwoners van Frankrijk en het enkele kiezen voor de Russische nationaliteit zal hem dus niet zo veel helpen. Beter is om gewoon te verhuizen naar Rusland. Deelrepubliek Mordovië schonk hem al een appartement in Saransk. Nog beter is het als Depardieu ook in Rusland gaat werken. Mordovië vroeg hem al om minister van cultuur te worden.

Intussen roept de hele affaire een fundamentele vraag op: wat moet het belang zijn van nationaliteit voor het toekennen van rechtsgevolgen? In de hoogtijdagen van de natiestaat werd nationaliteit beschouwd als een belangrijk criterium, maar naarmate de wereld verder globaliseert en een toenemend aantal mensen grensoverschrijdende activiteiten verricht, is dat in steeds mindere mate het geval. Rechtsgevolgen (zoals het betalen van belasting, de toepasselijkheid van sociale wetgeving, consumentenbescherming, de mogelijkheid een kind te adopteren, etc.) kunnen met name voortvloeien uit nationaliteit, woonplaats, de plaats waar arbeid wordt verricht en een expliciete keuze voor een bepaald rechtsstelsel. Mijns inziens mag nationaliteit als aanknopingspunt daarbij nog slechts een beperkte rol vervullen en dient het belang van rechtskeuze juist toe te nemen. In elk geval zou de wetgever bij elke nieuw wetsvoorstel meer dan nu het geval is moeten nadenken over dat aanknopingspunt.

Is de toekomst aan de stad? Over Benjamin Barbers If Mayors Ruled the World

Deze week was de Amerikaanse politicoloog Benjamin Barber op bezoek in Nederland. Hij gaf een lezing in Utrecht over zijn binnenkort te verschijnen boek If Mayors Ruled the World. Barbers stelling is intrigerend en belangrijk. Er is al vele malen op gewezen dat een steeds verder toenemend percentage van de wereldbevolking in steden leeft. Barbers nieuwe boek – met als ondertitel ‘why cities can and should govern globally and how they already do’ – bepleit dat die realiteit ook moet worden weerspiegeld in de politieke ordening van de wereld. Volgens hem hebben staten grotendeels afgedaan en hebben steden de toekomst omdat die de problemen van de hedendaagse maatschappij vaak veel beter kunnen aanpakken. En ze doen dat al. Na het mislukken van de klimaatconferentie van vorig jaar hebben 207 grote steden een Global Cities Climate Pact gesloten. Dat sluit aan bij initiatieven als dat van Londen om een tolsysteem in te voeren voor auto’s om zo het gebruik van de auto terug te dringen. Maatregelen om roken in de openbare ruimte tegen te gaan werden het eerst genomen door steden als New York en Los Angeles. In de recente discussie over nieuwe wapenwetgeving  krijgt de mening van burgemeester Michael Bloomberg van New York even veel aandacht als die van Obama. Bloomberg zei eerder: ‘I don’t listen to Washington very much. The difference between my level of government and other levels of government is that action takes place at the city level. While national government at this time is just unable to do anything, the mayors of this country have to deal with the real world.’ Veel maatschappelijke problemen bestaan vooral in de stad: daar moeten ze ook worden opgelost.

Dit is een aansprekende visie op de toekomst van politieke besluitvorming die ook voor juristen buitengewoon relevant is. De discussie – althans in Europa – gaat nu bijna uitsluitend over de overdracht van bevoegdheden door staten aan de Europese Unie. Dat is echter slechts een deel van de bredere discussie over wie welke bevoegdheden moet hebben. Indien steden beter in staat zijn om bepaalde problemen op te lossen dan de nationale overheid of de EU dient het recht dat te reflecteren. Steden zijn ook vaak beter in staat om innovatieve regels te introduceren die te ver gaan voor het land als geheel – de invoering van het homo-huwelijk door Mexico-Stad is daar een mooi voorbeeld van. Juristen zouden niet alleen moeten nadenken over welke zaken beter op een hoger geografisch niveau kunnen worden geregeld, maar ook over wanneer het lagere niveau beter is.

Stapels ‘slodderwetenschap’: lessen voor juridische onderzoekers?

De affaire Diederik Stapel blijft de wetenschappelijke gemoederen bezig houden. Na de publicatie van het rapport van de commissie Levelt wordt in toenemende mate gevraagd of wetenschappelijke fraude op deze schaal ook in andere disciplines (zoals economie en taalkunde) mogelijk is. Het rapport van de commissie Levelt, dat een deel van de sociale psychologie als ‘slodderwetenschap’ kwalificeert, kan immers ook beoefenaars van andere disciplines een spiegel voorhouden. Verschillende collega-juristen hebben mij het afgelopen jaar verzekerd dat frauduleuze praktijken in de rechtswetenschap veel minder kunnen voorkomen en dat, als ze zich voordoen, ze eerder aan het licht zullen komen. Ik ben daar zelf niet zo zeker van. Mijns inziens kunnen juristen wel degelijk enkele lessen aan de affaire Stapel ontlenen.

In de eerste plaats betreft dat de peer review en meer in het algemeen de collegiale controle op wat juristen doen. Het fabriceren van valse data is voor juristen doorgaans niet zinvol, maar op het vlak van collegiaal debat over onderzoeksvragen en methoden valt nog altijd veel te winnen. Ik zou niet graag de kost geven aan de juridische onderzoekers die nog altijd hun onderzoeksideeën en concepten van artikelen en boeken niet bespreken met collega’s en die aanbieden aan het meest ‘veilige’ tijdschrift of de meest ‘gemakkelijke’ uitgever (lees: waar de bijdrage het gemakkelijkst wordt gepubliceerd). De komst van onderzoeksprogramma’s en onderzoekgroepen heeft daar natuurlijk wel deels verandering in gebracht, maar nog niet genoeg. Ook op de beoordeling van kopij door redacties van (sommige) tijdschriften valt nog altijd veel aan te merken.

In de tweede plaats komt ook in de rechtswetenschap plagiaat vaker voor dan sommigen denken. Het bekendste buitenlandse voorbeeld is dat van de Duitse minister Guttenberg, die in zijn proefschrift Verfassung und Verfassungsvertrag op grote schaal plagieerde. Dit bleef onopgemerkt door promotor en beoordelingscommissie, bij uitgever Duncker & Humblot en in de recensies. Dat zegt iets over de mate waarin peer review in de rechtswetenschap werkt – eigenlijk net zoals in de sociale psychologie niet optimaal. Van groot belang is ook dat duidelijk wordt wat precies onder plagiaat wordt verstaan en wat niet. Opzet of onrechtmatigheid zijn niet vereist, maar wat is de norm wel? Het letterlijk overschrijven van bladzijden tekst mag zeker niet, maar wat te denken van het parafraseren van de gedachten van een ander met bronvermelding op een andere plaats? Of van het vertalen van een Engelse naar een Nederlandse tekst zonder adequate bronvermelding? Voor mij zijn dat duidelijke gevallen, maar niet iedereen deelt dat gevoelen. Dat pleit voor een explicitering van wat wetenschappelijke integriteit precies vereist. De Gedragscode Wetenschapsbeoefening blijft vaak abstract. Kennisname van gevallen in andere disciplines, zoals de bekende casus van Hans Werner Gottinger, kan dan helpen.

In de derde plaats verdient ook in de rechtswetenschap een ander fenomeen aandacht: zelfplagiaat. De economische wetenschap is onlangs opgeschrikt door twee gevallen waarin auteurs dezelfde informatie in meerdere artikelen reproduceerden. Naast het bekende geval van Bruno Frey is er de jonge Duitse econoom Ulrich Lichtenthaler, wiens publicaties thans worden onderzocht door onderzoekscommissies van de WHU School of Management en de Universiteit van Mannheim. In zijn geval gaat het onder meer om de beschuldiging dat hij in publicaties onvoldoende heeft verwezen naar publicaties van zichzelf en om van elkaar afwijkende duidingen van dezelfde data in verschillende publicaties. Lichtenthaler werd, net als Stapel, gezien als één van de sterren op zijn gebied: over hem werd geschreven als over ‘Der Junge der alles richtig macht.’ Ook dit zelfplagiaat (dus zonder verwijzing naar de eigen publicaties) komt in strijd met de wetenschappelijke integriteit, maar ik betwijfel dat dit thans ook de norm is onder juristen.

Het is kortom te gemakkelijk indien juristen het geval Stapel afdoen als een incident dat hen niet aangaat. Er is wel degelijk reden voor een discussie over wat de normen van wetenschappelijke integriteit onder juristen (dienen te) zijn.

Geweld tegen scheidsrechters: invoering ‘rugbyregel’ kan effectief zijn

De dood van een 41-jarige Almeerse assistant-scheidsrechter na zware mishandeling door enkele minderjarige voetballers van S.V. Nieuw Sloten houdt de gemoederen in Nederland al meer dan een week bezig. Dat is terecht. De vraag is met name hoe dit soort incidenten in de toekomst kan worden voorkomen. Minister van Justitie Opstelten heeft in de Tweede Kamer gemeld dat hij geweld tegen een scheidsrechter op gelijke voet wil gaan straffen als geweld tegen hulpverleners. Daarmee volgt hij het Franse voorbeeld: al in 2006 zijn in Frankrijk zwaardere  straffen ingevoerd voor geweld tegen scheidsrechters. Eergisteren vond bovendien overleg plaats tussen de KNVB, betrokken ministers en politie. De uitkomst van dat overleg werd door Minister van Sport Schippers samengevat in de zin ‘We moeten het probleem samen oplossen’, waarbij vooral zou moeten worden gekeken naar de rol van ouders, scholen, sportverenigingen en kinderen.’ Dat is een nogal lauwe reactie. Bovendien lijken mij dit nu juist niet de primaire doelgroepen.

Mijns inziens dient bij het aanpakken van dit probleem de KNVB een veel grotere rol te spelen. De KNVB is de instantie die het Nederlandse amateurvoetbal organiseert en die de regels stelt voor hoe de wedstrijd dient te verlopen. Dat schept verantwoordelijkheden. De KNVB lijkt daar zelf een ander oordeel over te hebben, maar het is toch echt zo dat de KNVB de regels kan stellen voor de wedstrijden die onder zijn verantwoordelijkheid plaatsvinden. Van die regels kan een grote symboolwerking uitgaan. Thans schijnt belediging van de scheidsrechter tijdens wedstrijden eerder regel dan uitzondering te zijn; in elk geval vindt vrijwel steeds discussie met de scheidsrechter plaats over genomen beslissingen. Dat niet langer toestaan zou een daad kunnen stellen. De Amsterdamse wethouder Van der Burg opperde eerder om de zg. ‘rugbyregel’ in te voeren in het voetbal. In rugby geldt dat alle commentaar op de scheidsrechter er toe leidt dat de speler een deel van de wedstrijd op de strafbank moet plaats nemen. Men behoeft geen jurist te zijn om te voorspellen dat invoering van die regel zeer effectief kan zijn: niet alleen zal commentaar op arbiters meer achterwege blijven, er zal bovendien grote symboolwaarde van uit gaan. Ook zijn de kosten van invoering laag. Eventueel kan worden begonnen met een experiment: voer in enkele districten de rugbyregel in en bekijk of geweldsincidenten op het voetbalveld in die districten afnemen. Wat mij betreft is de KNVB aan zet.

De Keuzegids Universiteiten en de juridische bachelors: tijd voor verandering

Deze week verscheen de Keuzegids Universiteiten 2013. Deze gids biedt een handleiding voor aankomende studenten: zij kunnen een vergelijking maken tussen de in Nederland aangeboden opleidingen om de keuze voor een bepaalde studie én voor die studie in een bepaalde stad te vergemakkelijken. Elke opleiding krijgt een cijfer op basis van oordelen van studenten, onderwijsstatistieken en oordelen van visitatiecommissies. Nieuw is dit jaar dat de Keuzegids een aantal bachelor-opleidingen als ‘topopleiding’ kwalificeert. Dat zijn er in totaal 57, vooral de university colleges en opleidingen in de exacte vakken, theologie en filosofie.

De interessante vraag is hoe de rechtenopleidingen er van af komen in de Keuzegids. Helaas is het oordeel niet positief. Alle bachelors rechten eindigen in de middenmoot en geen enkele juridische opleiding krijgt het predicaat ‘topopleiding.’ Dat is verontrustend. De redactie van de Keuzegids geeft aan dat het massale karakter van de rechtenstudie hier debet aan is, maar dat is natuurlijk niet de volledige verklaring. Ik denk zelf dat de score van de rechten-opleidingen in de Keuzegids – die al enkele jaren laag is – zeer serieus moet worden genomen en noopt tot een fundamentele heroriëntatie op wat aankomende juristen aan de universiteit leren. De noodzaak van toenemende profilering van universiteiten en de discussie over het zg. civiel effect moeten daarbij worden meegenomen.

Zelf ben ik voorstander van een andersoortige opleiding van aankomende juristen. Ik laat me daarbij inspireren door het voorbeeld van de university colleges. Deze kleinschalige opleidingen trekken studenten die bereid zijn om 60 uur per week aan de studie te besteden. De Roosevelt Academy en het University College Maastricht zijn daarvan mooie voorbeelden. Beide selecteren studenten op basis van motivatie en stellen alles in het werk om docenten en studenten deel te laten uitmaken van een echte academische gemeenschap. Dat is essentieel om twee uitdagingen het hoofd te kunnen bieden.

In de eerste plaats is er de noodzaak om studenten gemotiveerd te houden voor de studie. Iedereen die als achttienjarige de universiteit betreedt is opgetogen over het nieuwe dat komen gaat. Wat de universiteit moet doen is een omgeving creëren waarin studenten die motivatie zo lang mogelijk vasthouden. Dat pleit voor (een aantal) relatief kleine communities waarin studenten worden uitgedaagd om te excelleren en niet anoniem kunnen zijn. Dat doen juridische faculteiten nu veel te weinig.

Een tweede uitdaging is om een curriculum te maken dat zowel intellectueel breed is als studenten weet voor te bereiden op de juridische beroepspraktijk. University colleges bieden algemene bachelors aan. Ik ben er van overtuigd dat (enkele) rechtenfaculteiten hetzelfde moeten doen: studenten dienen een opleiding in ‘global citizenship’ – zoals Martha Nussbaum dat noemt – te krijgen en in de eerste jaren niet te veel leren over de techniciteiten van een nationaal rechtssysteem: dat kan wachten tot het derde bachelor-jaar en de master. Dat betekent niet dat de vakken niet juridisch zijn, integendeel: het zijn juist vakken waarin bij uitstek de juridische manier van denken wordt aangeleerd én waarin het recht wordt geplaatst naast andere wijzen van conflictregulering en –oplossing. Ik zal binnenkort bloggen over hoe een curriculum van zo een opleiding er uit kan zien.  Ik zie in dat niet alle universiteiten dit willen en kunnen, maar de huidige situatie waarin negen Nederlandse juridische faculteiten een bijna identiek curriculum Nederlands recht aanbieden is niet meer van deze tijd. Het is hoog tijd dat een of meer moedige universiteiten hun curriculum Nederlands recht omvormen tot een algemene bachelor rechten in de vorm van een ‘law college’ met een vernieuwend curriculum. Ik denk dat zo een ambitieus programma – ik schreef er eerder over – de toekomst heeft. Het zal ook leiden tot een hoognodige differentiatie tussen juridische faculteiten.

Als tegenargument wordt vaak aangevoerd dat universiteiten hier het geld niet voor hebben: zij hebben al moeite genoeg om de bestaande curricula te financieren. Maar een groot probleem aan Nederlandse universiteiten is dat de helft van de begroting niet naar onderwijs en onderzoek gaat, maar naar andere zaken. Dat is een verbazingwekkend hoog aandeel dat sterk naar beneden moet. Bovendien vind ik het de taak van universitaire bestuurders om scherpe en goed onderbouwde keuzes te maken, juist in tijden van financiële nood. Alleen die keuzes leiden tot de innovatie die nodig is om de Nederlandse rechten-opleidingen straks als ‘topopleiding’ te kunnen kwalificeren, óók in de Keuzegids Universiteiten.

De klimaattop in Doha: streven naar een internationale oplossing is niet altijd beter

In Doha (Quatar) verzamelen deze week 17.000 mensen voor de achttiende ronde van de internationale klimaatconferentie. De verwachtingen zijn, net als in voorgaande jaren, laag gespannen: de kans is klein dat tot zinvolle en afdwingbare afspraken wordt gekomen om de CO2-uitstoot in de wereld te reduceren. De nationale belangen liggen te ver uit elkaar. Dat roept de vraag op of het organiseren van dit soort monstercongressen – die door het grote aantal deelnemers zelf in niet geringe mate bijdragen aan de uitstoot van broeikasgassen – wel zinvol is. De onuitgesproken veronderstelling is dat de enige echte oplossing voor CO2-uitstoot tot stand moet worden gebracht door staten via een internationaal verdrag. Internationaal recht is echter in sterke mate politiek van aard en maar zelden in staat om een effectieve vuist te maken tegen grensoverschrijdende problemen.

Een alternatief voor internationale samenwerking is daarom om het initiatief in veel sterkere mate bij individuele landen te leggen. Dat heeft als bijkomend voordeel dat die zich niet langer kunnen verschuilen achter andere landen met het argument dat als anderen niet willen van hen ook niet het uiterste mag worden verwacht. In een recente bijdrage in NRC Handelsblad pleit klimaateconoom Richard Tol bijvoorbeeld voor het invoeren van een koolstofbelasting. Individuele landen zouden een dergelijke belasting kunnen heffen op de omzet of winst van bedrijven. Het klassieke argument tegen dit soort eenzijdige maatregelen is dat een land zichzelf uit de markt prijst: bedrijven verlaten het land dat voor hen ongunstige voorwaarden hanteert. Uit onderzoek blijkt echter dat een dergelijk beleid ook een positief effect kan hebben: andere landen kunnen bereid zijn om milieubeschermende maatregelen over te nemen en bedrijven kunnen juist naar de staat verhuizen dat dit soort op het eerste gezicht voor hen ongunstige maatregelen neemt. De Amerikaanse hoogleraar David Vogel noemt dit het California effect. Dit komt waarschijnlijk deels doordat staten en bedrijven zich graag associëren met progressieve en maatschappij-vriendelijke maatregelen. Het is goed als de staten die deze week in Doha aan het onderhandelen zijn zich dit realiseren. De oplossing behoeft niet tot stand te komen door consensus, maar vereist moed van individuele landen om eenzijdig maatregelen te nemen.